Reeks 124

Van Dael 

Zie voor de oudere generaties: Reeks 38

18. Catharina van Leefdael, overl. 13.4.1361, tr. vóór 1344 Gijsbert van Bronckhorst, heer van Bronckhorst 1328, heer van Batenburg 1351, ridder, overl. 1356, zoon van Willem van Bronckhorst en Johanna vanBatenburg.

19.  Willem heer van Bronckhorst, overleden op 12.3.1410. Heer van Bronkhorst, ridder 1358, raad van de hertog, drost en landrentmeester van Zutphen, burggraaf van Nijmegen, draagt in 1399 Bronhorst over aan zijn zoon Gijsbert, tr. nov.1365 met Cunegonda van Meurs, vermeld tot 1417, dochter van Frederik graaf van Meurs .

20.  Catharina van Bronckhorst, overleden na 1420, tr. (huw.voorw. 15 juni)1381 Hendrik, heer van Wisch , overleden tussen 15.7.1387 en 1390, zoon van Dirk, heer van Wisch, en van Agnes van Apeltern. Voor het eerst vermeld op 5.9.1372 als heer van Wisch. Daar blijkt uit dat hij met de heer van Borculo en Peter van Steenbergen Arnhem voor Willem van Gulik had ingenomen. Uit een oorkonde d.d. 21.2.1372 blijkt dat hij met zijn broers Robrecht en Dirk en met de heren van Bronhorst en Borculo tot de Gulikse partij behoorde. Hendrik, heer van Wisch, zegelde voor het laatst op 15.7.1387 (voor hertog Willem). Zijn gelijknamige zoon Hendrik, wordt in 1390, voor het eerst als heer van Wisch vermeld en is dan nog onmondig zodat zijn oom Robert voor hem zegelde. In 1395 zegelde hij zelfstandig. Vader Hendrik zal dus overleden zijn tussen 15.7.1387 en 1390. Zijn weduwe Catharina van Bronkhorst hertrouwde in 1391 met Hendrik, heer van Ghemen.

21.   Hendrik van Wisch, heer van Wisch, overleden voor 1448. In 1390 voor het eerst als heer van Wisch vermeld. Aangezien hij nog onmondig was, zegelde toen zijn oom Robert voor hem. In 1395 zegelde hij zelfstandig. Wordt op 12.9.1386 en 20.5.1424 als knaap vermeld, en op 4.5.1427 en 13.6.1447 als ridder. Tr. Irmgard van Wittgenstein. Hendrik van Wisch had een bastaardzoon:

22.   Berend, bastaard van Wisch, tr.Margaretha van Camphuizen.

Het archief van het huis Bergh, door mr. A.P. van Schilfgaarde:

Regesten (R) en Brieven (B):

R847, d.d. 28 maart 1462: Bernt van Wisch, bastaard, maakt de Lichtenberg, door hem gekocht van jonker Hendrik, heer tot Homoet en Wisch, voor deze een open huis.

R860, d.d. 7 september 1462: Frederik van Baar en Bernt van Wisch, bastaard, schenken aan de kosterij ter Borch een hof aan de Broderdijk nabij de Mellicwinkel, behorende tot het burchtleen vaan eerstgenoemde, in verband met de ingevoerde gewoonte, iedere middag te twaalf uur aflaat te luiden, waarvoor de koster 1 oud schil per jaar ontvangt.

R897, d.d. 16 maart 1465: De richter te Lembeek oorkondt dat Bernt van Wisch, bastaard, bezweert van nu af aan niet meer te zullen optreden tegen Goossen van Raasfelt en de zijnen, of tgene jonker Hendrik, heer tot Homoet en Wisch.

R921, d.d. 22 februari 1467: Goossen van Raasfelt belooft de schuldbrief t.b.v. Bernt van Wisch, bastaard, die hij ontvangen heeft van heer Hendrik, heer tot Homoet en Wisch, na betaling van 1.000 Rijnse guldens te zullen teruggeven, op straffe van leisting te Borch.

R944, d.d. 7 juli 1468: Hendrik, heer tot Homoet en Wisch, en zijn vrouw Kunegond van Bronkhorst, verpanden voor f 3.000 aan Goossen van Raasfelt, hun zwager, het huis en hofstede te Lichtenberg, zoals Bernt van Wisch, bastaard, die van Dirk, heer te Wisch, gekocht had, benevens goederen op de hoven te Wisch en te Etten.

R999, d.d. 11 maart 1472: Vrijschepenen van het Heilige Rijk verklaren dat hun bekend is dat voor enige tijd Goossen van Raasfelt c.s., van de Schuilenburg uit, Bernt van Wisch, bastaard, op de vrije weg voor de Borch bij het klaphek in de Have gevangen genomen en eerst naar Schuilenburg, daarna naar Oostendorp gevoerd hebben, zonder dat zij verklaard hadden Bernt's vijanden te zijn.

R1029, d.d. 3 mei 1474: Oswalt, heer van den Bergh en Bilant, oorkandt dat Dirk van Bilrebeek verkoopt aan Bernt van Wisch, bastaard, de betering van zijn halve maat land voor den Berge aan de dijk bij de brug, met recht van wederinkoop.

B330, d.d. 15.2.1476: De heer van den Bergh schrijft aan heer Hendrik van Byland, dat op 20 februari in het Observantenklooster bij Berg een bespreking gehouden zal worden over de uitspraak van de heer van Humbercourt in zijn geschil met deken en kapittel van Embrik, verzoekt hem tot voorafgaand overleg op 17 of 18 februari te Bergh te komen en met Bernt van Wisch op de conferentie zijn afgevaardigde te willlen zijn.

R1203, d.d. 10 maart 1483: Hendrik van Neym, richter van de bisschop van Munster te Halteren, oorkondt dat heer Goossen van Raasfelt, ridder, en diens vrouw Berthe van Homoet, overdragen aan Bernt van Wisch, zijn vrouw Margariete en hun kinderen Johan en Jasper, een schuldbrief van 560 Rijnse guldens, bezegeld door heer Hendrik, heer tot Homoet en Wisch, Johan van den Bergh, anders geheten Raffenberg, en Bernt van Thoven.

R1321, d.d. 12 juni 1488: Hendrik, heer tot Homoet en Wisch, erkent verkocht te hebben aan heer Oswalt, graaf van den Bergh, al zijn aanspraken op Bernt van Wisch, bastaard, betreffende de Lichtenberg, enz.

B1131, d.d. 21 juli 1488: Hendrik, heer tot Ghemen en Wevelkoven, stadhouder van Gelre en Zutphen, schrijft aan Oswald, graaf van den Bergh etc., dat hij, naar aanleiding van het besluit op de dagvaart te Doesburg genomen aangaande de geschillen tussen graaf Oswald en bernt van Wisch, bastaard, van plan is op de aanstaande dagvaart te Arnhem, op 29 juli, die zaak te behandelen.

B1132, d.d. 24 juli 1488: Arnt van der Lawick schrijft aan heer Oswalt, graaf van den Bergh, dat hij aan diens verzoek, op de dagvaart te Arnhem te komen, zal voldoen, doch raad hem aan de heer van Ghemen te verzoeken, de behandeling van de twist met Bernt van Wisch enige tijd uit te stellen.

B1133, d.d. 28 juli 1488: Hendrik, heer tot Ghemen en Wevelkoven, stadhouder, schrijft aan Oswald, graaf van den Bergh, dat hij wegens afwezigheid niet op den Bergh uitgeschreven dag inzake Bernt van Wisch op 7 augustus zal kunnen komen, doch zijn vrienden zal zenden.

B1145, d.d. 4 juli 1489: De graaf van den Bergh schrijft aan zijn neef Hendrik, heer van Ghemen, dat het hem die dag gelukt is Bernt van Wisch, bastaard, die hem zoveel schade heeft berokkend, in zijn macht te krijgen.

B1146, d.d. 5 juli 1489: Hendrik, heer tot Ghemen en Wevelkoven, stadhouder en drost, antwoordt aan heer Oswalt, graaf van den Bergh etc., dat het zaak zal zijn, onmiddellijk aan Adolph, graaf van Nassau, hofmeester en stadhouder, te schrijven, dat Bernt van Wisch, na herhaaldelijk vervolgd te zijn voor de Landdrost, gegijzeld is geworden en dat nadere inlichtingen te zijnen dienste staan en verzoekt hem deze brief geheim te houden.

B1147, d.d. 5 juli 1489: De graaf van den Bergh schrijft aan de scholaster te Zutphen dat het hem de vorige dag gelukt is Bernt van Wisch, bastaard, in zijn macht te krijgen.

B1148, d.d. 5 juli 1489: Gijsbert, broeder tot Wisch, schrijft aan burgemeesters, schepenen en raad der stad Zutphen, dat zijn broer Bernt te Ulfft gevangen genomen is door de graaf van den Bergh en roept hun tussenkomst in, daar Bernt een ingezetene van Zutphen is.

B1149, d.d. 5 juli 1489: Burgemeesters, schepenen en raad der stad Zutphen zenden aan heer Oswald, graaf van den Bergh, een brief van Gijsbert van Wisch en verzoeken hem Bernt van Wisch, die hun medeburger is, vrij te laten.

B1151, d.d. 1489, na 5 juli: De graaf van den Bergh antwoordt aan burgemeesters, schepenen en raad der stadZutphen met een uiteenzetting, waarom en op wlke wijze Bernt van Wisch gegijzeld is geworden en nodigt hen uit de berechting bij te wonen.

B1152, d.d. 7 juli 1489: De graaf van den Bergh schrijft aan Adolph, graaf van Nassau, stadhouder, dat Bernt van Wisch, bastaard, met diens zoon Jasper, hem allerlei schade heeft berokkend, waarvoor hij zich herhaaldelijk, zonder resultaat, beklaagd heeft bij de heer van Ghemen, doch dat hij hem thans heeft doen gijzelen, waarover genoemde heer van Ghemen nadere gegevens kan verstrekken.

B1154, d.d. 8 juli 1489: Hendrik, heer tot Ghemen en Wevelkoven, stadhouder en drost schrijft aan heer Oswalt, graaf van den Bergh etc., dat hij hem hierbij zijn dienaar zendt met enige vertegenwoordigers van de stad Zutphen om hem zijn wensen inzake Bernt van Wisch kenbaar te maken.

B1160, d.d. 24 juli 1489: Bannerheren, ridderschap en steden der Graafschap en burgemeesters, schepenen en raad der stad Zutphen schrijven aan heer Hendrik, heer tot Ghemen etc., dat de gevangenneming van Bernt van Wisch tegen het landrecht indruist en verzoeken hem als stadhouder bij de graaf van den Bergh stappen te doen of Bernt's vrijlating te bewerken.

B1161, d.d. 27 juli 1489: Burgemeesters, schepenen en raad der stad Arnhem en raadsvrienden der stad Nijmegen, te Arnhem ter dagvaart vergaderd, schrijven aan heer Oswalt, graaf van den bergh etc., dat de gevangenneming van Bernt van Wisch tegen alle rechten indruist en verzoeken hem de gevangene vrij te laten en over de geschillen door de stadhouder en de Landschap te doen beslissen.

B1163, d.d. 30 juli 1489: De graaf van den Bergh antwoordt aan de heer van Ghemen dat hij met Johan, heer tot Wisch, en diens broer Gijsbert, benevens met de twee zonen van Bernt van Wisch in bespreking is, dat hij op grond van zijn hoge heerlijkheidsrechten gerechtigd is zelf Bernt voornoemd te vervolgen, doch dat hij bereid is de tussenkomst van de stadhouder en de stad Zutphen te aanvaarden.

B1165, d.d. 20 augustus 1489: De graaf van den Bergh schrijft aan Johan Lieveldink dat hij een onderhoud heeft gehad met Willem Lerink, burgemeester van Zutphen, en van deze vernomen heeft dat er nieuwe onderhandelingen over Bernt van Wisch zullen plaats vinden, deelt mede, op Lerink's verzoek aan Bernt een beter vertrek op het "averste huys in den torn" gegeven te hebben en verzoekt inlichtingen over een beraamde samenkomst met Johan, heer tot Wisch, benevens over een huwelijksplan.

B1166, d.d. 20 augustus 1489: Jo. Lieveldink, scholaster, antwoordt aan heer Oswalt, graaf van den Bergh etc., dat hij nadere besprekingen heeft gehouden over de inzake Bernt van Wisch gesloten overeenkosmt.

B1167, d.d. 23 augustus 1489: Willem Lerink schrijft aan Oswalt, graaf van den Bergh, dat de vrouw en de zoon (Jasper) van Bernt van Wisch, accoord gaan met het plan een samenkomst te Bergh te houden, met bemiddeling van de steden Nijmegen, Arnhem en Zutphen en verzoekt gem vrijgeleide te suren en de datum te willen vaststellen.

B1171, d.d. 30 september 1489: De graaf van den Bergh schrijft aan heer Hendrik, heer tot Ghemen etc., dat in een die dag gehouden bijeenkomst inzake Bernt van Wisch bepaald is, dat op 1 november eerstkoemdne door de stadhouder, de Raad van de Koning, bannerheren en ridderschap van Zutphen, de drie hoofdsteden, benevens Doesburg en Doetinchem, een poging tot bemiddeling gedaan zal worden, en deelt mede, te voren zijn raad te zullen komen inwinnen.

B1172, d.d. 5 oktober 1489: Hendrik, heer tot ghemen etc., stadhouder en de andere raden van de Koning ter zaken van Gelre, te Arnhem wezende, zenden aan heer Oswalt, graaf tot Bergh etc., een viertal punten, voorzien van hun opmerkingen, welke de vrienden van Bernt van Wisch, die bij hen geweest is, in de borgtochtbrief wensen opgenomen te zien.

V1173, d.d. 7 oktober 1489: De graaf van den Bergh antwoordt aan de stadhouder en raden van de Koning dat hij over het algemeen met de punten accoord kan gaan.

B1174, d.d. 19 oktober 1489: Hendrik, heer tot Ghemen etc., stadhouder, schrijft aan heer Oswalt, graaf van den Bergh etc., dat hij de dag, op welke de zaak van Bernt van Wisch behandeld zal worden, vaststelt op 28 oktober in het klooster te Belheim.

R1179, 1489, voor 30 oktober: Adolf, graaf van Nassau, draagt aan de stadhouder Hendrik, heer van Ghemen, op, de graaf van den Bergh te verzoeken Bernt van Wisch ter berechting over te geven aan stadhouder en raden van Gelre.

B1181, d.d. 2 november 1489: De graaf van den Bergh antwoordt aan heer Hendrik, heer tot Ghemen etc., stadhouder, met een uiteenzetting van de omstandigheden, waaronder Bernt van Wisch is gevangen genomen en verzoekt hem deze aan de graaf van Nassau duidelijk te maken.

B1182, d.d. 15 november 1489: Hendrik, heer tot ghemen etc., stadhouder, schrijft aan heer Oswalt, graaf van den Bergh etc., dat op 29 november te Doesburg, een nieuwe bijeenkomst inzake Bernt van Wisch zal gehouden worden.

B1183, d.d. 22 november 1489: Hendrik, heer tot ghemen etc., stadhouder, schrijft aan heer Oswalt, graaf van den Bergh etc., dat hij aan diens verzoek, de dag te Doesburg te stellen, niet voldoen kan en hem dus verzoekt op 29 november aanwezig te zijn.

B1184, d.d. 23 november 1489: De graaf van den Bergh antwoordt aan heer Hendrik van Ghemen, stadhouder, dat hij aandiens verzoek zal voldoen.

B1185, d.d. 6 december 1489: Burgemeesters, schepenen en raad der stad Zutphen schrijven aan heer Oswalt, graaf van den Bergh, dat zij de nehandeling van de zaak van Bernt van Wisch gaarne uitgesteld zagen tot 2 februari eerstkomende.

B1186, d.d. 7 december 1489: De graaf van den Bergh antwoordt aan de stadZutphen dat hij toestemt in een samenkomst op 7 januari in het klooster te Boelheim.

B1187, d.d. 9 december 1489: Burgemeesters, schepenen en raad der stad Zutphen antwoorden aan heer Oswalt, graaf van den Bergh, dat, naar aanleiding van zijn brief, Bernt van Wisch dezer dagen naar Bergh zal komen.

B 1188, d.d. 11 december 1489: Bernt van Wisch schrijft aan Johan van der Kuilen, secretaris van de graaf van den Bergh, dat hij andere borgen zal stellen en hoopt dat de graaf hiermee accoord zal gaan.

R1349, d.d. 13 december 1489: Evert van Ulft, Aleph van Medforden, Johan van der Hoye en Derk Knappert stellen zich borg dat, nu heer Oswalt, graaf van den Bergh, heer van de Bylandt, ten verzoeke van Hendrik, heer tot Ghemen en Wevelkaven, stadhouder van Gelre en Zutphen, met de raad der stad Zutphen, de samenkomst met Bernt van Wisch, bastaard, uitgesteld heeft, deze toch te zijner tijd zal verschijnen.

B1193, d.d. 18 april 1490: Hendrik, heer tot Ghemen etc., stadhouder, schrijft aan heer Oswalt, graaf van den Bergh etc., dat hij ingevolge de overeenkomst inzake Bernt van Wisch een "dag" heeft uitgeschreven te Belheim op 26 april eerstkomende.

R1360, d.d. 1 mei 1490: Johan Greve, stadhouder van het land van den Bergh, ontslaat op bevel van de graaf van den Bergh Bernt van Wisch, bastaard, van diens belofte, op 3 mei eerstkomende te Berg te komen.

R1362, d.d. 3 mei 1490: Bernt van Holthuizen, schout binnen en buiten Zutphen, oorkondt, dat Bernt van Wisch, bastaard, en diens zoon Jasper van Wisch, onder ede verklaren niets te zullen ondernemen tegen heer Oswalt, graaf van den Bergh, heer van Byland, naar aanleiding van het gerechtelijk beslag tegen de eerste en de kwestie over de Homoetse goederen in de ambten Zutphen en Doesburg met de laatste.

B1248, d.d. 12 juni 1491: Margaretha van Kamphuizen, vrouw van Bernt van Wisch, en Jaspar van Wisch, vragen aan de heer van Wisch, of opgegeven kan worden, voor welke schade de graaf van den Bergh hun respective man en vader wil aanspreken.

R1387, d.d. 21 september 1491: Carselis van Scherpenzeel, richter van Arnhem en Veluwezoom, oorkondt dat Bernt van Wisch ten verzoeke van Peter Andelien getuigt, dat hertog Adolf van Gelre met zijn Hoge Raad verordend heeft dat de Wettersweerd en al het land aan deze zijde van de IJsel als van ouds berecht zouden worden in Veluwezoom.

En voorts:

Bernt, bastaard van heer Hendrik, wordt borgman en ambtman voor hertog Adolf te Rozendaal in 1466. (Nijh., IV, 431)

Bernt van Wissche, bastaard, in 1457 voor het eerst met te Bruggink, onder Zelhem, beleend. In 1495 transporteert hij het aan Gerrit Buijsscher.

In 1484, bij overgift door Bernt Wullink, beleend met Wullink onder Zelhem.

Dit goed vererft op de Van Arlers en de Schrasserts.

In 1484, bij transport door Johan Wassink, beleend met Willing, onder Zelhem.

In 1452, bij transport door Frederik van Eerde, beleend met het goed te Holte bij Doetinchem.

C.L. Verkerk, Coulissen van de macht, uitgave van de vereniging Gelre, p. 362: "Ridder Arend van Middachten en heer Johan, heer van Hemert, waren bij hertoging Catharina toen zij in Arnhem was en Willem van Egmond dreigde de stad in te nemen. Toen deze laatste vanuit het klooster in Monnikhuizen een rel binnen de stad wist te ontlokken door zijn medestanders onder de burgerij, verlieten zij met andere aangangers ijlings de stad. Onder die aanhangers was ookBarend van Wisch, wiens verwant jonkheer Gijsbert van Wisch naast de twee juist genoemden in 1484 mocht zitting nemen in de Arnhemse raad, Nog anderen vinden we terug in een lijst van ballingen uit Arnhem van dat moment, zoals de nieuwe richter Garcelis van Scherpenzeel met zijn broer Dirk."

 

23.   Henrica van Wisch, op 7 aug. 1478 werd zij door haar echtgenote Godert getocht met het goed Renes, hetgeen in 1501 werd bevestigd, bij welke gelegenheid haar echtgenoot reeds overlijden blijkt te zijn. Tr. 1462  Godert van Scherpenzeel, geboren voor 1430, overleden tussen 1497 en 1501, zoon van Otto van Scherpenzeel en Stijne van den Gruijthuijs

Met zijn broers trad Godert van Scherpenzeel op als gastheer op de ridderdag te Scherpenzeel rond 1460. In 1460 blijkt hij het voorwerp te zijn van een reddingsoperatie vanuit de stad "als die burgemeisters mit een deel der burgeren hadden inghen Veluwen gesocht Gairt van Scerpenzeel ende sijn gesellen". Op 2 dec. 1462 beloofden de broers Van Scherpenzeel enerzijds en Jan van Byler anderzijds elkander bijstand in de moeilijkheden naar aanleiding van de doodslag door zijn knecht op Morken Philipsz. en de strijd met de familie Van Dompseler.

Godert lijkt in de voetsporen van zijn vader te hebben willen treden: drie jaren achtereen, van 1469 tot 1471, nam hij plaats in de Gruijthuisfractie van de schepenbank van Arnhem, onder het richterschap van zijn jongere broer Garcelis. Beiden waren zij aanhangers van hertog Adolf, die zich tegen de Bourgondiërs was gaan opstellen en na de vrede met Kleef de stad weer in handen had gekregen. De beëindiging van zijn schepenschap te Arnhem viel samen met zijn gevangenschap in de kerker van Hendrik van Ghemen, die bij de latere tweede bezetting tot plaatsvervanger van de Bourgondische stadhouder‑generaal, graaf Adolf van Nassau, en tot landdrost van Zutphen zou worden aangesteld. Deze politieke tegenstander had ook nog persoonlijke grieven tegen Godert. Hij verweet hem, dat hij hem jaren tevoren van Gelderse inkomsten had beroofd. In 1474 is Godert in ieder geval weer in vrijheid, want hij en zijn echtgenote worden dan vermeld als borgen voor Bartholomeus van Eck. In 1476 verwierf hij goederen in het Sticht van Utrecht. Hij had toen kennelijk ook zijn intrek genomen in het Huys Scherpenzeel, op zijn voorvaderlijk goed.

In de zogenoemde "Utrechtse Oorlog (1481‑1483) wordt op 22 sept. 1481 een Slag bij Scherpenzeel vermeld. Bij die veldtocht werden het Huys Scherpenzeel, met alles wat er zich in bevond, en het dorp Scherpenzeel, waarvan de heer als alle Van Scherpenzeels fel anti-Bourgondisch was, verwoest en platgebrand en raakte Godert in gevangenschap. De hertog zou Godert daarom kwijtschelding verlenen van een jaar Batenburger tiend, de novaaltiend en de tiend voor het bos dat ook verbrand was. We beschikken nog over de tekst waarin Zweder, bastaard van Glashorst, vergiffenis vraagt voor zijn collaboratie in de verwoesting en plundering van zijn eigen dorp. De brief is ook interessant wegens de namen van Godert's bondgenoten en familieleden: behalve natuurlijk zijn drie broers worden Baerent van Wyesch, zijn schoonvader, Johan en Jasper van Wyesch, zijn beide zwagers, genoemd. 

Een van Godert's laatste daden was het doen opstellen van een acte in 1497 waarin hij namens zijn echtgenote afstand doet van het goed Willinck onder Zelhem, dat zijn schoonvader Berend van Wisch, en schoonmoeder Margarete van Camphusen en zwager Jasper van Wisch, aan het convent van IJzendoorn hadden geschonken.

Op 7 aug. 1478 had hij zijn echtgenote Henrica, dochter van heer Berend, bastaard van Wisch, nog getocht met het goed Renes, in 1501 opnieuw bevestigd, maar toen was Godert overleden en Henrica alweer opnieuw getrouwd met Johan van Vianen van Rijsenborch.

Henrica van Wisch hetrouwde met Johan van Vianen van Rijsenborch.

24.   Catharina van Scherpenzeel, overleden voor 11 december 1531, wanneer haar oudste zoon uit haar eerste huwelijk beleend wordt met Wullink, onder Zelhem. Stichtte op 9 febr. 1510, als weduwe , een vicarie bij het altaar van het H. Kruis te Putten. Bij haar tweede huwelijk, met Helmich van Schevenick, in 1522, kreeg zij als bruidsschat Wullinck mee, een goed onder Zelhem, dat van haar grootvader Berend van Wisch afkomstig was, waarmee zij haar echtgenote lijftocht verschafte. Tr. 1) voor of in 1498 met Reyner Henricksz. van Arler (de Jonghe). Peinder te Nijkerk (als zodanig vermeld 1488, 1489) en Putten (vermeld 1492-1499). Machtigt in 1492 zijn zwager (=schoonzoon) Gerrit Speulde, eigenaar van het goed Arler. Leeft nog 1506, doch is dood in 1510. Tr. 2) in 1522 met Helmich van Schevenick . Uit het eerste huwelijk:

25.   Reynier van Arler, schout te Putten, als zodanig vermeld 1522-1530, overleden voor 10.3.1550, tr. 1) N.N., tr. 2) 8.11.1530 te Harderwijk met Eefsche van Brienen, overleden voor of in 1571, zuster van Johan van Brienen. Hieruit o.m.:

  • Reinier, volgt Reeks 136

  • Catharina, volgt hierna

26.   Catharina van Arler, begraven op 9-03-1605 te Harderwijk , tr. 1)  voor april 1554 met Johan Pannekoek, zoon van Mauritius Marisz. Pannekoek, rentmeester van de Veluwe, gunsteling van hertog Karel van Gelre, op slot Eembrugge (1528), bewoner van Pannekoekshuis te Nijkerk, en Janneke van Bemmel. Tr. 2) voor 9.5.1567 met Philips Ottensz. Schrassert , geboren ca. 1508, overleden 1577/80. Gerichtsman te Nijkerk, beleend met het goed Borrink (1570), etc., zoon van Otto Schrassert en Engel van Hollick. Een dochter uit Catharina van Arler's eerste huwelijk, of Belie Pannekoek, haar dochter uit haar tweede huwelijk, werd bij Gerrit van Coot moeder van Reijnier van Coot (zie Veluwse Geslachten jaargang 31 - 4, 2006, p. 23 e.v.):

27.   NN Schrassert , of Belie Pannekoek (overleden voor 22.6.1614), tr. Gerrit van Coot, schout van Ermelo (1594-1630),  overleden in of voor 1632, zoon van Cornelis van Coot, schout van Ermelo (1564-1597).

[Indien NN Schrassert moeder was van Reijnier van Coot, is Gerrit van Coot na zijn huwelijk met NN Schrassert hetrouwd met Belie Pannekoek.]

28.   Reijner van Coot, gerichtsman te Ermelo (1627), schout van Ermelo (1631- ), overleden voor 15 december1637. Tr.  Henrica de Reus , overleden na 27.6.1659. Zij behoort tot de familie De Reus uit Schalkwijk.

Coop Schrassert Philipsz. (overl. Putten 5 sept. 1647) schreef op 19 okt. 1621 aan de landdrost en stadhouder der lenen van het graafschap Bergh, dat ingeval hij zonder nazaten komt te overlijden, het goed Bornick, bij Voorst,

 “erven ende succederen sall op mijne twee susters als mit naemen joffer Henrica Schrasserts, weduwe van Diermen ende joffer Elisabeth Schrasserts, echtehuysfrou van Aelt van Arler, elcx ebemia(?) ende sonder dat d'een opten ander vordel oft enich prerogative recht sall mogen pretenderen. Bij conditie datt het voorschreven goet bij haer ende haren successeuren ende erfgenaemen in descendenti emea(?) sall bliven ende erven, maer daer die descendenten aen d'een oft des anderen sijde souden commen te deficieren datt alsdan des enen oft des anderen helfte van’t voorschreven goet wederom commen ende erven sall op die gene die mij onderschreven ten tijde van't versterff daerin die descendenten ontbraecken het naeste inden bloede souden bestaen, sonder distinctie van vaders oft moeders sijde ende dit opten last datt die voorschreven mijne susters mitten wtganck van't jaer nae mijnen doot aen mijn zwager Gerrit van Arlers kinderen sullen wtrichten d'somme van duisent carolus gulden ende aende twee

 

kinderen van mijn zwager Gerrit van Coet als mit namen Reyner ende joffer Johanna van Coot elcx twe hundert vijftich gulden munte voorschreven.”

 

29.   Arnolda van Coot, overleden tussen 26.5.1691 en december 1692, gegoed onder Holck (Nijkerk), tr. 15.2.1645 te Nijkerk met Wulf Woltersz. van Hennekeler, gedoopt op 8.7.1624 te Nijkerk, overleden tussen 27.6.1679 en 22.4.1681, beleend met het Vaneveldskampje, eigenaar van Stijp ter Beek, zoon van Wolter Wulfertszn. van Hennekeler, veekoopman, kerkmeester te Nijkerk, en Elisabeth Scholten .

30.   Elisabeth van Hennekeler, gedoopt 1.2.1646 te Nijkerk, tr. nov.1670 te Hoevelaken met Wolterus van Hennekeler, dijkgraaf van de Arkemheen, overleden na 21.5.1690, gegoed onder Nijkerk, leenman van de huize van Lokhorst in 1688, zoon van dr. Andries van Hennekeler en Geertruijd Bachuijsen .

31.   Wulf van Hennekeler, geboren ca. 1675, overleden na 3.7.1722, gegoed te Nijkerk, tr. 1) op 29.1.1699 te Nijkerk met Gerritje van Coot, kort na haar huwelijk overleden; tr. 2) op 07.9.1699 te Nijkerk met Lijsbeth Hendriksdr. Brouwer. Uit het tweede huwelijk:

32.   Wouterus Wulfsz. van Hennekeler, gedoopt 12.7.1700 te Nijkerk, overleden op 26.8.1750 te Nijkerk, tr. Jannetje Gerrits.

33.   Jacoba van Hennekeler, gedoopt 6.11.1726 te Nijkerk, overleden op 3.6.1770 te Nijkerk , tr. 16.4.1747 te Nijkerk met Evert Cornelisz. van de Bor, gedoopt 17.1.1723 te Nijkerk, overleden op 7.1.1794 te Nijkerk, zoon van Cornelis Evertse van de Bor en Lubbertje van Aller.

34.   Willem van de Bor, gedoopt 27.7.1757 te Nijkerk, overleden 8.4.1812 te Nijkerk, tr. 29.4.1782 te Nijkerk met Maria van Dompselaar, gedoopt 18.3.1759 te Nijkerk, begraven op 20.2.1795 te Nijkerk , dochter van Hendrik Gerritse (van Dompselaar) en Willempje Jans .

35.   Cornelis van de Bor, geboren ca. 1788 te Nijkerk, overleden 2.4.1837 te Nijkerk, tr. 7.6.1811 te Nijkerk met Jannetje Harmsen (van Soeren), geboren op 17.6.1788 te Nijkerk, gedoopt op 18.6.1788 te Nijkerk, overleden op 20.4.1852 te Nijkerk, dochter van Harmen Andriessen (van Soeren) en Geertruij Andriessen .

36.   Willem van de Bor, geboren 21.8.1819 te Nijkerk, tr. 21.5.1845 te Nijkerk met Heintje Koot, geboren 14.4.1820 te Nijkerk, dochter van Geurt Jansen van Koot/Brouwer (?) en Hilletje Andriessen .

37.   Heintje van de Bor, geboren 1863 te Nijkerk , tr. 24.11.1886 te Utrecht met Hendrik Zwern , geboren 18.11.1865 te Utrecht, zoon van Hendrik Zwern,  en Maaitje Hovestad .

38.   Andries Zwern, geboren 12.4.1892 te Utrecht, overleden 1963 te Utrecht, tr. 7.2.1918 te Utrecht met Gerritje van de Visch, geboren 7.8.1891 te Barneveld, overleden febr.1977 te Utrecht, dochter van Jan van de Visch en Jannetje Bloemenda(a)l .

39.   H. A. Zwern, tr. A. van Zelm. Hieruit:

40.   M. J. van Zelm Zwern (naamswijziging bij KB 1984), tr. Ph. J. van Dael. Hieruit:

41a.   Ph. C. E. A. van Dael

41b.   A. E. A. A. van Dael

Ingezonden door: Philip van Dael
Bronnen:
  • DTB-registers
  • rechterlijke archieven

en speciaal:

  • generatie 20-21: Verlagen en mededelingen van de vereniging Gelre, 1930.
  • generatie 22: Het archief van het huis Bergh, door mr. A.P. van Schilfgaarde
  • generatie 23: Scarpenzele, jaargang IV (1996), nr. II, p. 30 en verder, door de heer J.C. Klesser
  • generatie 27: Orgaan van de Vereniging Veluwse Geslachten, jaargang 31-4, 2006, p. 23 e.v., "Op zoek naar familierelaties rondom Gerrit van Cooth en diens zoon Reyner, schout van Ermelo".