|
7. Elstrude van Vlaanderen, geb. ca. 940, overl.
972, tr. 964 Siegfried "de Deen", graaf van Guînes, in Picardië,
Frankrijk. Volgens de Chronique de Guînes et d'Ardres uit 1203 van Lambert
van Ardres, was Siegfried kleinzoon van Harold V, koning van Denemarken. Hij
was geb. ca. 930 en eerste graaf van Guînes.
8. Ardolphe, graaf van Guînes, geb. ca. 965, overl. na 996, tr. Mathilde van
Boulogne geb. vóór 972, dochter van Arnould, graaf van Ponthieu, graaf van
Boulogne, en Adele N.N.
9. Raoul, graaf van Guînes, geb. ca. 992, overl. 1036, tr. Rosella de St.Pol,
geb. ca. 1000 dochter van Hugo II de St.Pol en Elisende de Ponthieu.
10. Eustache, graaf van Guînes, geb. ca. 1016, overl. vóór 1065, tr.
Susanne van Grammene, overl. na 1052, dochter van Zeger van Grammene, kamenier
van Vlaanderen.
11. Baudewijn, graaf van Guînes, vermeld in 1065, overl. na 1091, tr.
Adelheid van Holland, overl. 1085, dochter van Floris I, graaf van Holland en
Gertrud van Saksen.
12. Guisele, erfgename van Guînes, overl. 1140, tr. Wenemar, burggraaf
van Gent, heer van Bornem, geb. ca. 1065, overl. 1120.
13. Zeger I van Gent, o ca. 1090. Vermeld 1114 -1122. Burggraaf van Gent vanaf
1120. Volgens de Kronieken van de StBaafsabdij bestond reeds in 940 een
'castrum', een kasteel op een eiland in de Leie, een zijstroom van de Schelde
bij Gent. Het is daar waarschijnlijk gesticht om de aanvallen van de
Noormannen te keren. Dit kasteel beheerste nagenoeg de gehele 'pagus
Gandensis', het gebied van Gent en wijde omgeving. Tot dat gebied behoorden
het Land van Waas en de streken van Aalst en Dendermonde. Ook de Vier
Ambachten met hun hoofdplaatsen Assenede, Boechoute, Axel en Hulst. Deze
vruchtbare kleistreken, aangewassen tegen het Land van Waas, maakten deel uit
van de 'pagus Gandensis'. De Gentse kasteelheer, kastelein of burggraaf, zoals
hij in de vroegste documenten reeds genoemd wordt, had aanvankelijk veel
gezag. Hij werd daarom ook wel als 'vicecomes' (ondergraaf) omschreven. Onder
zijn bevel stond de hele krijgsmacht van het Gentse gebied. Hij was ook
'opperbaljuw', de opperste eiser in strafzaken. De tolheffing op openbare
wegen en bevaarbare wateren was hem toevertrouwd. Hij legde belastingen in
allerlei vorm op. Op zijn order werden door de ingezetenen 'herendiensten'
verricht, gedwongen arbeid, vaak aan wallen en torens van burchten en
versterkingen. Ondermeer door de bouw van het Gravensteen te Gent ca. 1180,
trachtte de toenmalige graaf van Vlaanderen, Philips van de Elzas, de macht
van de Gentse burggraaf te overvleugelen. De Gentse stadswijk, omgeven door de
grachten die eens het oude verdwenen kasteel omringden, heet na 1180
'Oudenburg'. De echtgenote van Zeger van Gent, en moeder van Alicia, is niet
bekend.
14. Alicia van Gent, o ca. 1110, overl. vóór 1154, vermeld in 1139 als
dochter van Zeger. Alicia tr. Steppo van Viggezele, heer van Bornhem, voogd
van Temse. Viggezele ligt in WestVlaanderen noordoostelijk van Tielt. Hij had
ca. 1140 moeilijkheden met de abdij van Affligem omdat hij meende erfelijke
rechten te kunnen doen gelden op een schaapskooi te Pakinge. In 1164 schonk
hij aan de StPietersabdij te Gent land, gelegen in 'Transblide' (Beoostenblij)
in castellaria de Axla (Axel). Steppo was mogelijk zoon van Willem, burggraaf
van Ieper en heer van Loo en N.N. Van Bourgondië.
15. Zeger II van Viggezele, burggraaf van Gent, geb. ca. 1140, overl. ca.
1202. Vermeld 1163 - 1202. Burggraaf van Gent, burggraaf ad interim van Kortrijk
ca. 1200, 'baro', 'princips', tempelier. Wist door zijn huwelijk met
Petronella, dochter van Rogier van Kortrijk, het kastelijnschap van Gent weer
in zijn familie te brengen, al kon hij de voorvaderlijke burcht niet meer
bewonen. Bij het overlijden van zijn schoonvader in 1190 erfde hij de titel
met alle daaraan verbonden rijkdom. Terwijl zijn oudere broer Baudewijn, graaf
van Wijnen werd, ging de heerschappij over Bornhem en het Gentse kasteelgebied
in zijn handen over. Zonder twijfel is Zeger ook de eerste eigenaar van de
heerlijkheid van Sint Jansteen geworden. Hij heeft die heerlijkheid door ruil
met de graaf van Vlaanderen, vermoedelijk Baudewijn van Henegouwen, verkregen.
Dat gebeurde volgens een latere brief van Philips de Stoute, hertog van
Bourgondië, als volgt: Als burggraaf van Gent genoot Zeger, krachtens de
Keure van de Vier Ambachten, uitgevaardigd in 1170, eenderde van de baten,
voortvloeiende uit de justitierechten van de gehele streek, dus ook van de
stad Hulst. Door afstand te doen van die baten uit Hulst ten behoeve van de
graaf, verkreeg hij van zijn vorst de heerlijke rechten van de landerijen, ten
zuiden van die stad gelegen. Hij of zijn hem opvolgende zoon, liet aldaar een
burcht bouwen, waarschijnlijk met een kapel, toegewijd aan Sint Jan Baptist.
Vandaar de naam Sint Jan ten Steene, of het 'Steen' (de burcht), waarin Sint
Jan vereerd werd. In 1189 wordt Zeger II vermeld als burggraaf van Gent en
neemt hij tijdelijk ook het ambt waar van burggraaf van Kortrijk. De
burggraven van Gent, als bewakers van de burcht, hadden ook wellicht sedert
het ontstaan van de grafelijke burcht, met het garnizoen hun verblijf op de
grafelijke burcht. Maar omstreeks 1176 werd Gent geteisterd door een geweldige
brand. Daarbij gingen de toen nog houten burcht van de graaf in vlammen op,
alsook de Sint Veerlekerk en daarnaast gelegen school.
16. Zeger III van Gent, overl. 1227. Burggraaf van Gent vanaf 1200, heer van
Bornhem. Vermeld 1190 - 1227. Zeger betrok een woning te Wondelgem. Sommige
auteurs veronderstellen dat deze woning voorheen toebehoorde aan zijn vrouw
Beatrix Van Houdain. Bij Destelbergen behield hij het goed 'Mapertuus', waar
hij zich in woelige tijden terugtrok. Sinds 1200 zijn de kasteleins van Gent
nog slechts in naam kasteelheren van de Oudenburg, maar ze behouden door hun
talrijke onroerende goederen de titel burggraaf hoewel hun macht voortdurend
afneemt. De door Filips van de Elzas in 1169 over de gouwen aangestelde
baljuws worden als vertegenwoordigers van de vorst met de vroegere rechtsmacht
van de burggraven of kasteleins bekleed en treden steeds meer op de voorgrond.
Rond 1192 deed Zeger nog een poging om de bewaking van het gravenkasteel terug
te krijgen. Hij beriep zich op het erfelijk recht van zijn voorouders dat hem
toekwam. Maar de graaf, nu Baudewijn VIII, gaf niet toe. Om de machtige Zeger
en diens verwanten te paaien schonk hij hem een aantal gronden die jaarlijks
de som van 100 pond opbrachten. Zeger legde er zich bij neer. In 1226, een
jaar voor zijn dood, gaf Zeger een keure aan zijn lieden die rond het kasteel
van Sint Jansteen woonden. Die keure regelde het zelfbestuur van de inwoners
van zijn heerlijkheid door de aanstelling van een schepenraad met een 'meier'
aan het hoofd. De burgerlijke en strafrechterlijke rechtspleging met alle
bevoegdheden daaraan verbonden, o.m. het opleggen van de hoogste boete van 60
Parijse ponden als straf voor zware misdrijven berustte bij de schepenen. De
inwoners van Steene werden bij die keure ook vrijgesteld van alle lasten in de
rest van Vlaanderen opgelegd.
In 1201 zat hij in de kerk van Temse de plechtigheid voor waar Boudewijn Van
Barsele, heer van Wissekerke, aan de bisschop van Doornik de tienden afstond,
die hij hield in het hele Land van Waas. Met de zwakke regent (over de
minderjarige kinderen van de tijdens een kruistocht verdwenen graaf van
Vlaanderen Boudewijn IX) Filips van Namen speelt Zeger III het klaar om de
weinige voorrechten die hij in de Vier Ambachten nog behouden had, om te
ruilen voor echte medezeggenschap over heel Vlaanderen gedurende de
minderjarigheid van de dochter van Baudewijn IX. Hebben de graven hem alle
rechten ontnomen, dan acht hij zich vrij van alle verplichtingen en zoekt hij
steun bij wie hem erkent, namelijk de koning van Frankrijk, de rechtmatige
soeverein van de graven van Vlaanderen. Bij het huwelijk van Joanna van
Constantinopel met Ferrand van Portugal te Parijs in 1212 was Zeger aanwezig.
Hij steunde de nieuwe graaf en tekende de oorkonde waarbij deze aan de Gentse
schepene!
n voorrechten verleende in 1212. Was het nu omdat Zeger III tijdens het
regentschap het laken wat te veel naar zich had toegetrokken of omdat de graaf
meer en meer overhelde naar de Engelse partij? Hoe het ook zij, de burggraaf
viel in ongenade. Zeger vluchtte naar de koning van Frankrijk om twee jaar
later te Bouvines in 1214 met de Fransen de eigen graaf te bestrijden en de
overwinning te behalen. Zeger keerde uiteindelijk terug naar Vlaanderen en
kreeg zijn goederen terug. Hij woonde de laatste jaren van zijn leven rustig
als een groot seigneur op zijn kasteel van Sint Jansteen. (De exacte ligging
van dat middeleeuwse kasteel in StJansteen is nog niet door archeologisch
onderzoek aangetoond).
Is Zeger nog uit andere dan archivalische bronnen bekend? Blijkbaar wel. Hij
leefde in een tijd dat edelen fel onder elkaar streden omdat hun bevoegdheden
ter discussie stonden. Vooral de graven van Vlaanderen waren uit op
centralisatie van hun macht, ten koste van die van de burggraven. Tegen de
achtergrond van die machtstrijd moest Zeger veel van zijn bezittingen aan de
graaf afstaan, al kreeg hij er andere voor in de plaats. Zo verloor hij in het
Land van Waas 763 bunder of 1022 ha leengronden, vooral gelegen te Melsele,
Zwijndrecht en Haasdonk, en in mindere mate te Vrasene, StGillis, Lokeren,
Waasmunster, Elversele en Tielrode. Die rivaliserende verhoudingen en meer
bepaald de soms verholen opstand tegen de graaf werden beschreven in het
dierenepos 'Van den Vos Reynaerde, den fellen metten rossen baerde'. Recente
onderzoekingen naar dit Reynaertverhaal tonen aan dat het hoofdzakelijk is
gebaseerd op politieke geschiedenis en slechts in geringe mate op fantasie
berust. Het epos werd geschreven tussen 1190 en 1215. De schrijver zou
Wilhelmus Physicus zijn, hofschrijver van Zeger van Gent. Hij zou tot het
schrijven van het verhaal zijn aangespoord door diens vrouw Beatrix van
Houdain. Reinaert de Vos zou Zeger uitbeelden, Isengryn de Wolf is Diederik II
van Beveren, Teybaert de Kater is Raas V van Gavere, en Bruun de Beer is de
heer van Wavrin (FransVlaanderen), die seneschalk van Vlaanderen was, de
hoogste ambtenaar van het grafelijk hof, en koning Nobel de Leeuw is Philips
de Boble, graaf van Namen, die van 1202 tot 1206 regent van Vlaanderen was.
Uitgaand van deze interpretatie was Zeger van Gent het hoofdpersonage
Reynaert. De schrijver van dit epos heeft hem uitgebeeld als een geslepen
sluwerd en we mogen veronderstellen dat de man die onder de naam Reinaert
schuilgaat dat ook in werkelijkheid wel móest zijn om in die tijd het hoofd
boven water te kunnen houden.
Zeger huwde ca. 1200 Beatrix van Houdain. Houdain ligt in het departement
PasdeCalais. Beatrix was mogelijk dochter van Anselmus 'Calvus' (de kale) van
Houdain die in 1148 vernoemd wordt als seneschalk van gravin Sybilla van
Vlaanderen. Deze Anselmus was zwager van graaf Ingelram van SaintPol volgens
Warlop. Volgens andere bronnen gaat het hier om Beatrix van Heusden, enige
dochter van Hugo, heer van Heusden. Door huwelijk zou Zeger van Gent in het
bezit zijn gekomen van het kasteel van Heusden dat hij liet versterken en
vergroten tot een echte burcht.
17. Hugo, burggraaf van Gent, heer van Houdain, overl. 1232, tr. Eudette van
Champlitte, dochter van Odo en N.N.
18. Walter van Gent, Vilain genoemd, overl. vóór 8 november 1260. Heer van
Sint Jansteen. Walter verkocht in 1251 aan Cambron 30 roeden moer, Roggehof
genaamd. Vermoedelijk betekenen deze 30 roeden (115,5 m.) de breedte van een
strook aan het moershoofd. Dit moer was afkomstig van zijn echtgenote,
Avezoete serBraems. Walter nam als eerste de naam Vilain aan. De naam werd
lange tijd met dubbele 'l' geschreven. De Vlaamse vorm ervan was Vileyn. Hoe
kwam Walter aan die bijnaam en wat betekende hij? Vilain is afgeleid van
'villa' wat destijds op een landelijke bewoning of op een dorp duidde. Vilain
betekent dus: dorps, dorpeling en in slechte betekenis, 'ruw', 'onbehouwen'.
Uit de bijnaam blijkt dat Walter iets met een dorp te maken had. Inderdaad
staat hij omstreeks 1250 bekend als cijnspachter 'van de villa of het dorp'
dat aan de Sint Pietersabdij van Gent toebehoorde. Walter had dus tegen een
bepaalde som geld de cijnsen gepacht die de abdij in dat dorp het recht had te
heffen. Walter inde dan die cijnsen of liet ze voor zich innen door een
ambtenaar. Het is niet duidelijk om welk dorp het precies gaat. De abdij bezat
er twee: het Sint Pietersdorp te Gent en het dorp Temse. Walter had zijn
bijnaam Vilain dus te danken aan het feit dat hij omstreeks 1250 de cijns van
een van die twee dorpen in pacht had. De acht kinderen van Walter erfden zijn
bijnaam en gaven hem door aan hun kinderen. Door hen verviel de naam 'van
Gent', 'Vilain' werd hun nieuwe familienaam. Latere afstammelingen van deze
familie voegden het Romeinse getal XIIII aan hun naam. Daaraan zijn veel
verklaringen gegeven die echter tot het rijk der fabelen behoren. Een
mogelijke verklaring voor de nog steeds in gebruik zijnde familienaam Vilain
XIIII is op heraldische gronden te zoeken.
Walter van Gent al. Vilain, huwde Avezoete serBraems, dochter van de
steenrijke Gentse textielhandelaar en patriciër Alexander serBraems. Avezoete
was poorteres van Gent. Ze verkocht in augustus 1251 30 roeden moer te
Roggehof, 10 gemet grond te Langemier en 3,5 gemet te Bredehoek bij Hulst aan
de abdij Cambron. Avezoete had in 1260 onenigheid met de abdij van Baudelo
over goederen die de abdij had gekregen van een Gentenaar, een zekere
Baudewijn van Inglosenberghe.
19. Alexander van Gent, bijgenaamd Vilain, geb. ca. 1230, overl. 1280. Van
1262 tot 1280 vrijheer van Sint Jansteen. Noemde zich in een akte van 1279
'ridder Alexander, bijgenaamd Vilain'. Hij verkocht in 1270 aan Cambron voor
1000 lb. allodiaal bezit in de Ser Jordanspolder, afkomstig van zijn
grootvader langs moederskant Ser Alexander. De Ser Jordanspolder (naam
misschien afgeleid van Jordanus van Westhuse, die na de stormvloed van 1214
land in de omgeving van Hulst opgaf, maar anderzijds een deel van zijn
overstroomd bezit schijnt te hebben herdijkt.) lag in Riedijk ten westen van
Hulst. Het door Alexander Van Gent verkochtte goed omvatte landerijen,
gebouwen, grachten, wateren en visserijrechten. In een oorkonde van 1273 werd
dit verkochte goed opgemeten. Het omvatte zonder de gebouwen, grachten, wegen,
wateren en visserijen 20 gemeten (12 ha). Alexander van Gent, al. Vilain huwde
Isabella van Axel, dochter van Olivier en N.N.
20. Jordaen Vilain, geb. ca. 1250, overl. na 1299. Hij voerde het wapen van
Gent. Jordaen huwde N.N. Van Heule, een geslacht met, volgens de l'Espinoy,
het volgende wapen: een veld van goud met een schildhoofd van keel, versierd
met drie zilveren palen.
21. Wouter Vilain, heer van Boekhoute. Overl. na 1333. Huwde met N. Van
Mortagne.
22. Jan Vilain, geb. ca. 1300, heer van Boekhoute, overl. na 1365, tr. Maria
Van der Maelstede, overl. vóór 1350, dochter van Lodewijk en Elisabeth
Vilain (nicht van Wouter, nr. 21).
23. Jan Vilain. Vrijheer van StJansteen na het overlijden van zijn oom in 1342
tot waarschijnlijk 1385. Ridder en raad van de Vlaamse graaf, ook
'voorstander' (voogd) van Temse. De druk waaraan sommige
kloostergemeenschappen vanwege sommige leken, begerig naar hun uitgestrekte
bezittingen, blootstonden, had al vroeg aanleiding gegeven tot de oprichting
van zg. 'voorstanderschappen' of 'voogdijen' of 'avoueries', waarvan de
bedienaars, met uitgebreide bevoegdheden, als taak hadden de goederen van die
kloostergemeenschappen onder hun bescherming te nemen. De bezittingen van de
StPietersabdij te Temse waren van in de 12de eeuw aan een dergelijke voogd
toevertrouwd. De oudst bekende was de in 1166 vermelde Steppo van Viggezele (=
nr. 14). Daarna werd de voogdij van Temse in leen gehouden door een familie
die de naam van deze plaats droeg (Van Temse), en vervolgens aan de familie
Vilain.
Ter herinnering aan zijn moeder voerde Jan Vilain op zijn wapen: zwart veld
met zilveren hoofd (wapen van Gent), in de rechterbovenhoek op een 'ecusson'
(schildje) het wapen van Maelstede: veld van hermelijn, met dwarsbaan van
azuur en een Sint Andrieskruis van keel over alles heen. Zo zegelde hij in
1365 als 'here van Sente Jans ten Steene ende voeght van Themseke'. In 1376
voerde hij een schild door een dwarslijn in twee helften verdeeld. Op de
bovenhelft het wapen van Gent met het ecusson van Maelstede, op de onderhelft
alleen het wapen van Gent.
Jan Vilain huwde in 1359 met Margriete Briseteste, dochter van Roger en
Margriete van Steelant. Margriete Briseteste hield het hof te Vrenhove (later
Vroenhof, zuidoostelijk van Assenede) als achterleen van Mer Robert Briseteste
(haar broer). Aan dit hof waren heerlijke rechten (o.m. een afzonderlijke
schout) verbonden. De verplichtingen ten aanzien van de Gentse spijker bedroeg
jaarlijks 3,5 par. Margriete staat opgetekend als 'eene jonkvrouw van
hoogedele familie, van de Graven van Gent afstammende'.
24. Rogier Braem, gezegd Vilain, overl. vóór 1383, waarschijnlijk begraven
in de kerk van Biervliet. Hij huwde 1370 met N.N. Van Abbesvoorde, overl. na
1383. Over haar wordt vermeld in 1383: 'Rogier Braems (doot) wyf houd van
minen heere XVIII buunre lands, lettel meer ofte min, ende comt uten huse van
Bornem, ende het staet te vullen coope van X lb. ende te verdienene met 1
paerde van C scellinghen, met 1 halsberghe, ende van desen leene heeft hy
selve hof, ende zy placht te doene verdienene haren man voorseiden; die leecht
nu te Biervliet'.
N.N. Van Abbesvoorde staat ook in 1383 vermeld (zonder voornaam) als Rogier
Braem's vrouw en eigenaresse van de heerlijkheid Abbesvoorde. Die heerlijkheid
lag in de Hofwijk te Tielrode. Ze heeft haar naam gegeven aan het gelijknamige
geslacht, waarvan Gillis Van Abbesvoorde bekend is als schepene in 1304. In
1435 wordt als eigenaar van deze heerlijkheid vernoemd Godevaert Braem (nr.
26) kleinzoon van Rogier. In 1365 was eigenaar van de heerlijkheid, die toen
28 bunder omvatte en waaraan krijgsdienst met een paard verbonden was, Justaan
Van Abbesvoorde. Deze was misschien broer of vader van de vrouw van Rogier
Braem. Naar alle waarschijnlijkheid waren haar grootouders Jonkvr. Lisbette
N.N. en diens echtgenoot Nicolaas van Abbesvoorde, die in 1315 als bezitters
van de toen ca. 17 bunder metende heerlijkheid staan geregistreerd.
25. Boudewijn Braem, geb. ca. 1380, tr. 1403 met Clara Van Stapele, dochter
van Godevaert en N.N. Botlant.
26. Godevaert Braem, overl. 6 april 1451 (onthoofd) te Gent. Godevaert Braem werd in 1426 hoofdschepen van het Land van
Waas. Hij kon toen niet ouder dan 23 jaar geweest zijn omdat zijn ouders
Boudewijn Braem en Clara Van Stapele in 1403 huwden. Hij komt in 1429 als
schildknaap voor op de lijst van edelen die woonden in het Land van Waas. Het
hoogtepunt van zijn loopbaan bereikte hij op 11 mei 1450 toen Filips de Goede
hem tot hoogbaljuw van het Land van Waas benoemde. In datzelfde jaar zegelde
hij (effen schildveld, schildhoofd met een uitkomende leeuw) als baljuw en
meier van de hertog van Bourgondië voor het Land van Waas. In het midden van
de 15de eeuw voerde de stad Gent een lange en bloedige strijd tegen Philips,
hertog van Bourgondië en graaf van Vlaanderen. Deze strijd ging vooral om het
verkrijgen van meer democratische besturen in plaats van de partijdige
willekeur van de zijde van de aangestelde of vererfde hoge ambten. De
Gentenaren voerden deze strijd met steun van de Wase bevolking wier
magistraten de moed hadden een krachtig protest te zenden naar de hertog,
zeggende dat zijn eis van belastingen 'was contrarie aen alle rechten ende
oude ercommen, smakende meer specie van tyrannie als rebellie van de
ondersaten'. Dat het hoofdcollege van het Land van Waas het ernstig voorhad,
blijkt uit het feit dat het de hoogbaljuw Godevaert Braem in hechtenis nam en
uitleverde aan Gent, waar hij werd onthoofd. Een tijdgenoot beschreef hoe na
zijn executie zijn stoffelijk overschot, omkranst met veertig grote wassen
kaarsen, door een menigte Waaslanders naar Sint Niklaas werd gebracht. Hij
werd er begraven in het schip van de Sint Niklaaskerk. Dezelfde
kroniekschrijver vermeld dat Godevaert Braem stamde uit een jongere tak van
het huis Vilain van Gent en van Sint Jansteen.
Volgens de Wase kroniekschrijver Daniel Braem (o 1685 Tielrode zoon van
Jan en Johanna Van Lare, † 1740), woonde Godevaert Braem te Tielrode op het
pachtgoed van Jan Van Rode. Het zou hierbij gaan om de Hofwijk nr. 4546
(nu/1868/: nr. 333334 van de sectie B, aangeduid als: 'de dreve, waeterput en
hofstede van de weduwe griffier Keppens, wezende den hove en heerlykhede van
Thermegem'. De auteurs de Potter en Broeckaert geven de volgende aanwijzing
voor de woonst van de oudere generaties Braem: 'De herinneringen aan de meeste
dezer heerlijkheden en leenen zijn heden te Elversele, zoals meest overigens
overal, uitgestorven. Ook is er op het grondgebied dezer gemeente geen enkel
overblijfsel eens kasteels recht gebleven, niets, behalve de gebouwen eener
ouderwetsche hoeve, uitkomende aan eene dreef rechtover de kerk, en welke men
binnentreedt door eene sterk gemetselde poort, waarop het jaartal 1648 staat
te lezen. Men beweert nochtans dat de adellijke familie Braem, afstammende van
degene der Vilains, hier haren burcht bezat, die destijds, onder anderen door
den evengenoemden Godevaert Braem, in de geschiedenis des Lands van Waas om
zijn rampzalig einde genoegzaam bekend) zou bewoond geweest zijn...In het
leenboek van 1435 gewaagt alleenlijk van een dezen laatste (Godevaert Braem)
toebehoorend leen, gelegen te Tielrode, doch dat zich evenwel ook te Elversele
uitstrekte, blijkens de er van voorkomende beschrijving in het leenregister
van 1528, luidende: 'Jan Braem, filius Godevaerts, es houdende een leen van
den grave van Vlaenderen, groot twintig bundren, luttel min oft meer,
gheleghen binnen der prochie van Helverzele ende Tielroede, int landt van
Waes, waeraef hij maer en heeft up ende afvaerens ontrent zes bundren,
landende oost sheeren strate, zuudt Philips ende Adriaen Braems volchleen,
west Philips, Adriaen ende Hugo Braems volchleen, noordt Kateline Braems
volchleen.' Dit leen was den graaf van Vlaanderen in de oorlog dienstplichtig
met een paard, ter waarde van honderd schellingen pari. Godevaert Braem huwde
in 1429 Clara Utenswaene, gezegd van Halen, overl. na 1452, dochter van
Tristan en Aleide van Steenhoute. Clara Utenswaene werd als weduwe van
Godevaert Braem van al haar goederen beroofd.
27. Jan Braem. Verschillende malen vermeld als zoon van Godevaert. Hij zegelt
in 1515 (schild doorsneden: in I een uitkomende leeuw, overtopt door een
barensteel, in II effen). Verklaart door tussenkomst van het baljuwschap van
Waas een leen te houden van 19 bunders te Tielrode, Elversele en Waasmunster.
Het gaat hier om hetzelfde wapen als dat van zijn vader Godevaert. De
barensteel in het schildhoofd wijst er waarschijnlijk op dat Jan Braem de
oudste zoon van Godevaert was. In 1509 wordt het leen van Jan Braem, zoon van
Godevaert, te Tielrode vernoemd. Jan Braem huwde N.N.
28. Jan Braem, overl. ca. 1540. Met zijn echtgenote vermeld in de hoofdcijns
van de Sint Amandsabdij. Griffier van Kieldrecht. Zegelt in 1535 (van sabel
een schildhoofd in zilver = Vilain) als voogd van Messire Gillis de Hont (zijn
schoonvader), die van de graaf van Vlaanderen een leen houdt te Sint Niklaas.
Hij was gehuwd met Elisabeth De Hont, dochter van Gillis en Johanna Van
Schaverbeke. Elisabeth De Hont was in 1547 als weduwe van Jan Braem een
jaarlijkse rente verschuldigd aan de kapel van Sint Niklaas.
29. Gillis Braem, Vermeld in de hoofdcijns van de Sint Baafsabdij te Gent,
weerbaar man te Elversele in 1552, tr. Beatrix verHerbrugghen, overl. 1561,
dochter van Olivier en Lijsbet Geldolf.
30. Gillis Braem, geb. ca. 1550. In het kohier van de 5de penning uit 1584
Sint Niklaas opgetekend als zoon van Gillis. Met zijn echtgenote is hij
cijnsplichtig aan de Sint Baafsabdij te Gent. Tr. Beatrix Van Peteghem,
dochter van Petrus en Katelijne Van Doorselaer.
31. Katelijne Braem, als dochter van Gillis en met haar echtgenoot vermeld in
de hoofdcijns van de Sint Laurentiusabdij. Tr. Jan Van Eyghen, geb. ca. 1567,
zoon van Adriaan en Lysbette verEttinghe.
32. Katelijne Van Eyghen, geb. 24 februari 1613 Temse, overl. 11 december 1666
Tielrode, tr. 22 september 1635 Elversele met Laurentius Van Schoore, geb. 27
juni 1612 Tielrode, aldaar overl. 30 mei 1646, zoon van Jan en Thomasine
Dullaert.
33. Carolus Van Schoore, geb. 25 mei 1641 Elversele, overl. 21 februari 1721
Tielrode, tr. Elisabeth Van Overloop, geb. ca. 1641, overl. 28 mei 1706
Tielrode.
34. Francies Van Schoore, geb. 21 october 1667 Tielrode, overl. 14 juni 1756
aldaar, begraven in de kerk, tr. 23 januari 1706 Sint Niklaas met Catharina
Van Stappen, geb. 10 juni 1679 Sint Niklaas, overl. 12 maart 1767, begraven in
de kerk. Catharina Van Stappen was dochter van Jan en Johanna Beirnaert.
35. Elisabeth Van Schoore, geb. 29 december 1709 Tielrode, overl. na haar
echtgenoot, tr. 2 maart 1734 aldaar met Jan Frans Seghers, geb. 8juli1706
Tielrode, overl. 19 augustus 1760 Melsele, zoon van Frans en Elisabeth
Volckerick.
36. Anna Maria Seghers, geb. 6 september 1734 Melsele, overl. 31 maart 1776 De
Klinge (B). Na haar overlijden erfden haar broers en zuster land van haar
gelegen in Tielrode en Sint Gillis. Zij huwde 15 maart 1760 Sint Gillis met
Johannes Gabriel Vereecken, geb. 21 september 1726 te Vrasene, overl. 21
augustus 1769 De Klinge (B). Johannes Gabriel Vereecken was herbergier van de
herberg 'In Den Beroesten Degen' te Vrasene. Op 24 juli 1769 kreeg hij
van de magistraat van Hulster Ambacht een attest als inwoner van Hulster
Ambacht. Mogelijk bezat hij al in 1769 de boerderij genaamd 'de Pauwhof' te
Stoppeldijk.
37. Pieter Johannes Vereecken, geb. 31 juli 1767 De Klinge (B), overl. 20
november 1819 Stoppeldijk, landbouwer, tr. Catharina Johanna Vergouwen, geb. 1
juni 1782 Verrebroek, overl. 13 september 1828 Stoppeldijk, dochter van
Joos en Maria Monica Dansaert.
38. Johannes Vereecken, geb. 14 juni 1805 Stoppeldijk, overl. 26 december 1881
aldaar. Hij was landbouwer, burgemeester van Stoppeldijk van 1853 tot 1881 en
lid van Gedeputeerde Staten van Zeeland. Zijn boerderij, 'de Pauwhof', in de
streek 't kasteelken' genoemd, omvatte ongeveer 120 ha. Hij huwde 22 februari
1852 Stoppeldijk met Anne Marie De Poorter, geb. 6 october 1803, overl. 13
juni 1865, dochter van Frans en Johanna Schelfhout. Het echtpaar Vereecken-De
Poorter staat met hun zoon Johannes Fransiscus, met op de achtergrond hun
prachtig goed, afgebeeld op een groot schilderij uit 1858 van de bekende
streekschilder Jan Haak.
39. Johannes Fransiscus Vereecken, geb. 10 november 1844, overl. 17 april 1884
Stoppeldijk. Hij woonde op de Pauwhof, was vanaf 1868 burgemeester van
Boschkapelle en vanaf 1882 van Stoppeldijk, lid van Gedeputeerde Staten van
Zeeland. Hij huwde 8 februari 1871 Stoppeldijk met Johanna Van der Veen, geb.
24 april 1842 Stoppeldijk, overl. 16 juli 1912 Sint Jansteen, dochter van
Pieter Augustinus en Johanna De Vree.
40. Elisa Johanna Clara Vereecken, geb. 22 september 1881 Stoppeldijk, overl.
23 februari 1968 Sint Jansteen, tr. 17 augustus 1903 Stoppeldijk met Cyrillus
Johannes De Kerf, brouwer (brouwerij 'De Appel' te Sint Jansteen), geb. 31
januari 1873 Sint Jansteen, overl. aldaar 2 november 1943.
41. Anna Maria Emerentia De Kerf, geb. 15 augustus 1909 Sint Jansteen, tr. 2
september 1936 aldaar Auguste Jean Marie Rottier, rentmeester, dijkgraaf, geb.
18 december 1907 Sint Jansteen, overl. 6 september 1990 aldaar, zoon van Honoré
Petrus Joseph en Emelia Silphia Maria Vael.
42. Honoré Rottier, geb. 26 maart 1940 Sint Jansteen, Dr. hist., auteur, tr.
3 juni 1967 Villarssur Ollon (CH) met Anna Maria Elisabeth Kolpe, geb. 10
februari 1946 Örebro (Zw), dochter van Ragnar Olof en Anna Greta Elisabeth
Lundgren.
43. Erik Auguste Olof Rottier, geb. 23 december 1968 Ukkel (B), bioloog, met
Isabelle Elisabeth Paule Stercq, geb. 2 april 1969 EtterbeekBrussel, dochter
van Ivan Joseph Paul Ghislain en Denise Simone Jacqueline Andrée Van Melle.
44. Bruno Honoré Elie Torbjörn Rottier, geb. 27
october 2002 GuatemalaCity.
|