Reeks 159

 Rottier (II) 

Voor de oudere generaties wordt verwezen naar Reeks 2

7. Elstrude van Vlaanderen, geb. ca. 940, overl. 972, tr. 964 Siegfried "de Deen", graaf van Guînes, in Picardië, Frankrijk. Volgens de Chronique de Guînes et d'Ardres uit 1203 van Lambert van Ardres, was Siegfried kleinzoon van Harold V, koning van Denemarken. Hij was geb. ca. 930 en eerste graaf van Guînes.

8. Ardolphe, graaf van Guînes, geb. ca. 965, overl. na 996, tr. Mathilde van Boulogne geb. vóór 972, dochter van Arnould, graaf van Ponthieu, graaf van Boulogne, en Adele N.N.

9. Raoul, graaf van Guînes, geb. ca. 992, overl. 1036, tr. Rosella de St.Pol, geb. ca. 1000 dochter van Hugo II de St.Pol en Elisende de Ponthieu.

10. Eustache, graaf van Guînes, geb. ca. 1016, overl. vóór 1065, tr. Susanne van Grammene, overl. na 1052, dochter van Zeger van Grammene, kamenier van Vlaanderen.
 
11. Baudewijn, graaf van Guînes, vermeld in 1065,  overl. na 1091, tr. Adelheid van Holland, overl. 1085, dochter van Floris I, graaf van Holland en Gertrud van Saksen.

12. Guisele, erfgename van Guînes, overl. 1140, tr. Wenemar, burggraaf
van Gent, heer van Bornem, geb. ca. 1065, overl. 1120.

13. Zeger I van Gent, o ca. 1090. Vermeld 1114 -1122. Burggraaf van Gent vanaf 1120. Volgens de Kronieken van de StBaafsabdij bestond reeds in 940 een 'castrum', een kasteel op een eiland in de Leie, een zijstroom van de Schelde bij Gent. Het is daar waarschijnlijk gesticht om de aanvallen van de Noormannen te keren. Dit kasteel beheerste nagenoeg de gehele 'pagus Gandensis', het gebied van Gent en wijde omgeving. Tot dat gebied behoorden het Land van Waas en de streken van Aalst en Dendermonde. Ook de Vier Ambachten met hun hoofdplaatsen Assenede, Boechoute, Axel en Hulst. Deze vruchtbare kleistreken, aangewassen tegen het Land van Waas, maakten deel uit van de 'pagus Gandensis'. De Gentse kasteelheer, kastelein of burggraaf, zoals hij in de vroegste documenten reeds genoemd wordt, had aanvankelijk veel gezag. Hij werd daarom ook wel als 'vicecomes' (ondergraaf) omschreven. Onder zijn bevel stond de hele krijgsmacht van het Gentse gebied. Hij was ook 'opperbaljuw', de opperste eiser in strafzaken. De tolheffing op openbare wegen en bevaarbare wateren was hem toevertrouwd. Hij legde belastingen in allerlei vorm op. Op zijn order werden door de ingezetenen 'herendiensten' verricht, gedwongen arbeid, vaak aan wallen en torens van burchten en versterkingen. Ondermeer door de bouw van het Gravensteen te Gent ca. 1180, trachtte de toenmalige graaf van Vlaanderen, Philips van de Elzas, de macht van de Gentse burggraaf te overvleugelen. De Gentse stadswijk, omgeven door de grachten die eens het oude verdwenen kasteel omringden, heet na 1180 'Oudenburg'. De echtgenote van Zeger van Gent, en moeder van Alicia, is niet bekend.

14. Alicia van Gent, o ca. 1110, overl. vóór 1154, vermeld in 1139 als dochter van Zeger. Alicia tr. Steppo van Viggezele, heer van Bornhem, voogd van Temse. Viggezele ligt in WestVlaanderen noordoostelijk van Tielt. Hij had ca. 1140 moeilijkheden met de abdij van Affligem omdat hij meende erfelijke rechten te kunnen doen gelden op een schaapskooi te Pakinge. In 1164 schonk hij aan de StPietersabdij te Gent land, gelegen in 'Transblide' (Beoostenblij) in castellaria de Axla (Axel). Steppo was mogelijk zoon van Willem, burggraaf van Ieper en heer van Loo en N.N. Van  Bourgondië.

15. Zeger II van Viggezele, burggraaf van Gent, geb. ca. 1140, overl. ca. 1202. Vermeld 1163 - 1202. Burggraaf van Gent, burggraaf ad interim van Kortrijk ca. 1200, 'baro', 'princips', tempelier. Wist door zijn huwelijk met Petronella, dochter van Rogier van Kortrijk, het kastelijnschap van Gent weer in zijn familie te brengen, al kon hij de voorvaderlijke burcht niet meer bewonen. Bij het overlijden van zijn schoonvader in 1190 erfde hij de titel met alle daaraan verbonden rijkdom. Terwijl zijn oudere broer Baudewijn, graaf van Wijnen werd, ging de heerschappij over Bornhem en het Gentse kasteelgebied in zijn handen over. Zonder twijfel is Zeger ook de eerste eigenaar van de heerlijkheid van Sint Jansteen geworden. Hij heeft die heerlijkheid door ruil met de graaf van Vlaanderen, vermoedelijk Baudewijn van Henegouwen, verkregen. Dat gebeurde volgens een latere brief van Philips de Stoute, hertog van Bourgondië, als volgt: Als burggraaf van Gent genoot Zeger, krachtens de Keure van de Vier Ambachten, uitgevaardigd in 1170, eenderde van de baten, voortvloeiende uit de justitierechten van de gehele streek, dus ook van de stad Hulst. Door afstand te doen van die baten uit Hulst ten behoeve van de graaf, verkreeg hij van zijn vorst de heerlijke rechten van de landerijen, ten zuiden van die stad gelegen. Hij of zijn hem opvolgende zoon, liet aldaar een burcht bouwen, waarschijnlijk met een kapel, toegewijd aan Sint Jan Baptist. Vandaar de naam Sint Jan ten Steene, of het 'Steen' (de burcht), waarin Sint Jan vereerd werd. In 1189 wordt Zeger II vermeld als burggraaf van Gent en neemt hij tijdelijk ook het ambt waar van burggraaf van Kortrijk. De burggraven van Gent, als bewakers van de burcht, hadden ook wellicht sedert het ontstaan van de grafelijke burcht, met het garnizoen hun verblijf op de grafelijke burcht. Maar omstreeks 1176 werd Gent geteisterd door een geweldige brand. Daarbij gingen de toen nog houten burcht van de graaf in vlammen op, alsook de Sint Veerlekerk en daarnaast gelegen school.

16. Zeger III van Gent, overl. 1227. Burggraaf van Gent vanaf 1200, heer van Bornhem. Vermeld 1190 - 1227. Zeger betrok een woning te Wondelgem. Sommige auteurs veronderstellen dat deze woning voorheen toebehoorde aan zijn vrouw Beatrix Van Houdain. Bij Destelbergen behield hij het goed 'Mapertuus', waar hij zich in woelige tijden terugtrok. Sinds 1200 zijn de kasteleins van Gent nog slechts in naam kasteelheren van de Oudenburg, maar ze behouden door hun talrijke onroerende goederen de titel burggraaf hoewel hun macht voortdurend afneemt. De door Filips van de Elzas in 1169 over de gouwen aangestelde baljuws worden als vertegenwoordigers van de vorst met de vroegere rechtsmacht van de burggraven of kasteleins bekleed en treden steeds meer op de voorgrond. Rond 1192 deed Zeger nog een poging om de bewaking van het gravenkasteel terug te krijgen. Hij beriep zich op het erfelijk recht van zijn voorouders dat hem toekwam. Maar de graaf, nu Baudewijn VIII, gaf niet toe. Om de machtige Zeger en diens verwanten te paaien schonk hij hem een aantal gronden die jaarlijks de som van 100 pond opbrachten. Zeger legde er zich bij neer. In 1226, een jaar voor zijn dood, gaf Zeger een keure aan zijn lieden die rond het kasteel van Sint Jansteen woonden. Die keure regelde het zelfbestuur van de inwoners van zijn heerlijkheid door de aanstelling van een schepenraad met een 'meier' aan het hoofd. De burgerlijke en strafrechterlijke rechtspleging met alle bevoegdheden daaraan verbonden, o.m. het opleggen van de hoogste boete van 60 Parijse ponden als straf voor zware misdrijven berustte bij de schepenen. De inwoners van Steene werden bij die keure ook vrijgesteld van alle lasten in de rest van Vlaanderen opgelegd.
In 1201 zat hij in de kerk van Temse de plechtigheid voor waar Boudewijn Van Barsele, heer van Wissekerke, aan de bisschop van Doornik de tienden afstond, die hij hield in het hele Land van Waas. Met de zwakke regent (over de minderjarige kinderen van de tijdens een kruistocht verdwenen graaf van Vlaanderen Boudewijn IX) Filips van Namen speelt Zeger III het klaar om de weinige voorrechten die hij in de Vier Ambachten nog behouden had, om te ruilen voor echte medezeggenschap over heel Vlaanderen gedurende de minderjarigheid van de dochter van Baudewijn IX. Hebben de graven hem alle rechten ontnomen, dan acht hij zich vrij van alle verplichtingen en zoekt hij steun bij wie hem erkent, namelijk de koning van Frankrijk, de rechtmatige soeverein van de graven van Vlaanderen. Bij het huwelijk van Joanna van Constantinopel met Ferrand van Portugal te Parijs in 1212 was Zeger aanwezig. Hij steunde de nieuwe graaf en tekende de oorkonde waarbij deze aan de Gentse schepene!
n voorrechten verleende in 1212. Was het nu omdat Zeger III tijdens het regentschap het laken wat te veel naar zich had toegetrokken of omdat de graaf meer en meer overhelde naar de Engelse partij? Hoe het ook zij, de burggraaf viel in ongenade. Zeger vluchtte naar de koning van Frankrijk om twee jaar later te Bouvines in 1214 met de Fransen de eigen graaf te bestrijden en de overwinning te behalen. Zeger keerde uiteindelijk terug naar Vlaanderen en kreeg zijn goederen terug. Hij woonde de laatste jaren van zijn leven rustig als een groot seigneur op zijn kasteel van Sint Jansteen. (De exacte ligging van dat middeleeuwse kasteel in StJansteen is nog niet door archeologisch onderzoek aangetoond).
Is Zeger nog uit andere dan archivalische bronnen bekend? Blijkbaar wel. Hij leefde in een tijd dat edelen fel onder elkaar streden omdat hun bevoegdheden ter discussie stonden. Vooral de graven van Vlaanderen waren uit op centralisatie van hun macht, ten koste van die van de burggraven. Tegen de achtergrond van die machtstrijd moest Zeger veel van zijn bezittingen aan de graaf afstaan, al kreeg hij er andere voor in de plaats. Zo verloor hij in het Land van Waas 763 bunder of 1022 ha leengronden, vooral gelegen te Melsele, Zwijndrecht en Haasdonk, en in mindere mate te Vrasene, StGillis, Lokeren, Waasmunster, Elversele en Tielrode. Die rivaliserende verhoudingen en meer bepaald de soms verholen opstand tegen de graaf werden beschreven in het dierenepos 'Van den Vos Reynaerde, den fellen metten rossen baerde'. Recente onderzoekingen naar dit Reynaertverhaal tonen aan dat het hoofdzakelijk is gebaseerd op politieke geschiedenis en slechts in geringe mate op fantasie berust. Het epos werd geschreven tussen 1190 en 1215. De schrijver zou Wilhelmus Physicus zijn, hofschrijver van Zeger van Gent. Hij zou tot het schrijven van het verhaal zijn aangespoord door diens vrouw Beatrix van Houdain. Reinaert de Vos zou Zeger uitbeelden, Isengryn de Wolf is Diederik II van Beveren, Teybaert de Kater is Raas V van Gavere, en Bruun de Beer is de heer van Wavrin (FransVlaanderen), die seneschalk van Vlaanderen was, de hoogste ambtenaar van het grafelijk hof, en koning Nobel de Leeuw is Philips de Boble, graaf van Namen, die van 1202 tot 1206 regent van Vlaanderen was. Uitgaand van deze interpretatie was Zeger van Gent het hoofdpersonage Reynaert. De schrijver van dit epos heeft hem uitgebeeld als een geslepen sluwerd en we mogen veronderstellen dat de man die onder de naam Reinaert schuilgaat dat ook in werkelijkheid wel móest zijn om in die tijd het hoofd boven water te kunnen houden.
Zeger huwde ca. 1200 Beatrix van Houdain. Houdain ligt in het departement PasdeCalais. Beatrix was mogelijk dochter van Anselmus 'Calvus' (de kale) van Houdain die in 1148 vernoemd wordt als seneschalk van gravin Sybilla van Vlaanderen. Deze Anselmus was zwager van graaf Ingelram van SaintPol volgens Warlop. Volgens andere bronnen gaat het hier om Beatrix van Heusden, enige dochter van Hugo, heer van Heusden. Door huwelijk zou Zeger van Gent in het bezit zijn gekomen van het kasteel van Heusden dat hij liet versterken en vergroten tot een echte burcht.

17. Hugo, burggraaf van Gent, heer van Houdain, overl. 1232, tr. Eudette van Champlitte, dochter van Odo en N.N.

18. Walter van Gent, Vilain genoemd, overl. vóór 8 november 1260. Heer van Sint Jansteen. Walter verkocht in 1251 aan Cambron 30 roeden moer, Roggehof genaamd. Vermoedelijk betekenen deze 30 roeden (115,5 m.) de breedte van een strook aan het moershoofd. Dit moer was afkomstig van zijn echtgenote, Avezoete serBraems. Walter nam als eerste de naam Vilain aan. De naam werd lange tijd met dubbele 'l' geschreven. De Vlaamse vorm ervan was Vileyn. Hoe kwam Walter aan die bijnaam en wat betekende hij? Vilain is afgeleid van 'villa' wat destijds op een landelijke bewoning of op een dorp duidde. Vilain betekent dus: dorps, dorpeling en in slechte betekenis, 'ruw', 'onbehouwen'. Uit de bijnaam blijkt dat Walter iets met een dorp te maken had. Inderdaad staat hij omstreeks 1250 bekend als cijnspachter 'van de villa of het dorp' dat aan de Sint Pietersabdij van Gent toebehoorde. Walter had dus tegen een bepaalde som geld de cijnsen gepacht die de abdij in dat dorp het recht had te heffen. Walter inde dan die cijnsen of liet ze voor zich innen door een ambtenaar. Het is niet duidelijk om welk dorp het precies gaat. De abdij bezat er twee: het Sint Pietersdorp te Gent en het dorp Temse. Walter had zijn bijnaam Vilain dus te danken aan het feit dat hij omstreeks 1250 de cijns van een van die twee dorpen in pacht had. De acht kinderen van Walter erfden zijn bijnaam en gaven hem door aan hun kinderen. Door hen verviel de naam 'van Gent', 'Vilain' werd hun nieuwe familienaam. Latere afstammelingen van deze familie voegden het Romeinse getal XIIII aan hun naam. Daaraan zijn veel verklaringen gegeven die echter tot het rijk der fabelen behoren. Een mogelijke verklaring voor de nog steeds in gebruik zijnde familienaam Vilain XIIII is op heraldische gronden te zoeken.
Walter van Gent al. Vilain, huwde Avezoete serBraems, dochter van de steenrijke Gentse textielhandelaar en patriciër Alexander serBraems. Avezoete was poorteres van Gent. Ze verkocht in augustus 1251 30 roeden moer te Roggehof, 10 gemet grond te Langemier en 3,5 gemet te Bredehoek bij Hulst aan de abdij Cambron. Avezoete had in 1260 onenigheid met de abdij van Baudelo over goederen die de abdij had gekregen van een Gentenaar, een zekere Baudewijn van Inglosenberghe.

19. Alexander van Gent, bijgenaamd Vilain, geb. ca. 1230, overl. 1280. Van 1262 tot 1280 vrijheer van Sint Jansteen. Noemde zich in een akte van 1279 'ridder Alexander, bijgenaamd Vilain'. Hij verkocht in 1270 aan Cambron voor 1000 lb. allodiaal bezit in de Ser Jordanspolder, afkomstig van zijn grootvader langs moederskant Ser Alexander. De Ser Jordanspolder (naam misschien afgeleid van Jordanus van Westhuse, die na de stormvloed van 1214 land in de omgeving van Hulst opgaf, maar anderzijds een deel van zijn overstroomd bezit schijnt te hebben herdijkt.) lag in Riedijk ten westen van Hulst. Het door Alexander Van Gent verkochtte goed omvatte landerijen, gebouwen, grachten, wateren en visserijrechten. In een oorkonde van 1273 werd dit verkochte goed opgemeten. Het omvatte zonder de gebouwen, grachten, wegen, wateren en visserijen 20 gemeten (12 ha). Alexander van Gent, al. Vilain huwde Isabella van Axel, dochter van Olivier en N.N.

20. Jordaen Vilain, geb. ca. 1250, overl. na 1299. Hij voerde het wapen van Gent. Jordaen huwde N.N. Van Heule, een geslacht met, volgens de l'Espinoy, het volgende wapen: een veld van goud met een schildhoofd van keel, versierd met drie zilveren palen.

21. Wouter Vilain, heer van Boekhoute. Overl. na 1333. Huwde met N. Van Mortagne.

22. Jan Vilain, geb. ca. 1300, heer van Boekhoute, overl. na 1365, tr. Maria Van der Maelstede, overl. vóór 1350, dochter van Lodewijk en Elisabeth Vilain (nicht van Wouter, nr. 21).

23. Jan Vilain. Vrijheer van StJansteen na het overlijden van zijn oom in 1342 tot waarschijnlijk 1385. Ridder en raad van de Vlaamse graaf, ook 'voorstander' (voogd) van Temse. De druk waaraan sommige kloostergemeenschappen vanwege sommige leken, begerig naar hun uitgestrekte bezittingen, blootstonden, had al vroeg aanleiding gegeven tot de oprichting van zg. 'voorstanderschappen' of 'voogdijen' of 'avoueries', waarvan de bedienaars, met uitgebreide bevoegdheden, als taak hadden de goederen van die kloostergemeenschappen onder hun bescherming te nemen. De bezittingen van de StPietersabdij te Temse waren van in de 12de eeuw aan een dergelijke voogd toevertrouwd. De oudst bekende was de in 1166 vermelde Steppo van Viggezele (= nr. 14). Daarna werd de voogdij van Temse in leen gehouden door een familie die de naam van deze plaats droeg (Van Temse), en vervolgens aan de familie Vilain.
Ter herinnering aan zijn moeder voerde Jan Vilain op zijn wapen: zwart veld met zilveren hoofd (wapen van Gent), in de rechterbovenhoek op een 'ecusson' (schildje) het wapen van Maelstede: veld van hermelijn, met dwarsbaan van azuur en een Sint Andrieskruis van keel over alles heen. Zo zegelde hij in 1365 als 'here van Sente Jans ten Steene ende voeght van Themseke'. In 1376 voerde hij een schild door een dwarslijn in twee helften verdeeld. Op de bovenhelft het wapen van Gent met het ecusson van Maelstede, op de onderhelft alleen het wapen van Gent.
Jan Vilain huwde in 1359 met Margriete Briseteste, dochter van Roger en Margriete van Steelant. Margriete Briseteste hield het hof te Vrenhove (later Vroenhof, zuidoostelijk van Assenede) als achterleen van Mer Robert Briseteste (haar broer). Aan dit hof waren heerlijke rechten (o.m. een afzonderlijke schout) verbonden. De verplichtingen ten aanzien van de Gentse spijker bedroeg jaarlijks 3,5 par. Margriete staat opgetekend als 'eene jonkvrouw van hoogedele familie, van de Graven van Gent afstammende'.

24. Rogier Braem, gezegd Vilain, overl. vóór 1383, waarschijnlijk begraven in de kerk van Biervliet. Hij huwde 1370 met N.N. Van Abbesvoorde, overl. na 1383. Over haar wordt vermeld in 1383: 'Rogier Braems (doot) wyf houd van minen heere XVIII buunre lands, lettel meer ofte min, ende comt uten huse van Bornem, ende het staet te vullen coope van X lb. ende te verdienene met 1 paerde van C scellinghen, met 1 halsberghe, ende van desen leene heeft hy selve hof, ende zy placht te doene verdienene haren man voorseiden; die leecht nu te Biervliet'.
N.N. Van Abbesvoorde staat ook in 1383 vermeld (zonder voornaam) als Rogier Braem's vrouw en eigenaresse van de heerlijkheid Abbesvoorde. Die heerlijkheid lag in de Hofwijk te Tielrode. Ze heeft haar naam gegeven aan het gelijknamige geslacht, waarvan Gillis Van Abbesvoorde bekend is als schepene in 1304. In 1435 wordt als eigenaar van deze heerlijkheid vernoemd Godevaert Braem (nr. 26) kleinzoon van Rogier. In 1365 was eigenaar van de heerlijkheid, die toen 28 bunder omvatte en waaraan krijgsdienst met een paard verbonden was, Justaan Van Abbesvoorde. Deze was misschien broer of vader van de vrouw van Rogier Braem. Naar alle waarschijnlijkheid waren haar grootouders Jonkvr. Lisbette N.N. en diens echtgenoot Nicolaas van Abbesvoorde, die in 1315 als bezitters van de toen ca. 17 bunder metende heerlijkheid staan geregistreerd.

25. Boudewijn Braem, geb. ca. 1380, tr. 1403 met Clara Van Stapele, dochter van Godevaert en N.N. Botlant.

26. Godevaert Braem, overl. 6 april 1451 (onthoofd) te Gent. Godevaert Braem werd in 1426 hoofdschepen van het Land van Waas. Hij kon toen niet ouder dan 23 jaar geweest zijn omdat zijn ouders Boudewijn Braem en Clara Van Stapele in 1403 huwden. Hij komt in 1429 als schildknaap voor op de lijst van edelen die woonden in het Land van Waas. Het hoogtepunt van zijn loopbaan bereikte hij op 11 mei 1450 toen Filips de Goede hem tot hoogbaljuw van het Land van Waas benoemde. In datzelfde jaar zegelde hij (effen schildveld, schildhoofd met een uitkomende leeuw) als baljuw en meier van de hertog van Bourgondië voor het Land van Waas. In het midden van de 15de eeuw voerde de stad Gent een lange en bloedige strijd tegen Philips, hertog van Bourgondië en graaf van Vlaanderen. Deze strijd ging vooral om het verkrijgen van meer democratische besturen in plaats van de partijdige willekeur van de zijde van de aangestelde of vererfde hoge ambten. De Gentenaren voerden deze strijd met steun van de Wase bevolking wier magistraten de moed hadden een krachtig protest te zenden naar de hertog, zeggende dat zijn eis van belastingen 'was contrarie aen alle rechten ende oude ercommen, smakende meer specie van tyrannie als rebellie van de ondersaten'. Dat het hoofdcollege van het Land van Waas het ernstig voorhad, blijkt uit het feit dat het de hoogbaljuw Godevaert Braem in hechtenis nam en uitleverde aan Gent, waar hij werd onthoofd. Een tijdgenoot beschreef hoe na zijn executie zijn stoffelijk overschot, omkranst met veertig grote wassen kaarsen, door een menigte Waaslanders naar Sint Niklaas werd gebracht. Hij werd er begraven in het schip van de Sint Niklaaskerk. Dezelfde kroniekschrijver vermeld dat Godevaert Braem stamde uit een jongere tak van het huis Vilain van Gent en van Sint Jansteen.
Volgens de Wase kroniekschrijver Daniel Braem (o 1685 Tielrode zoon van  Jan en Johanna Van Lare, † 1740), woonde Godevaert Braem te Tielrode op het pachtgoed van Jan Van Rode. Het zou hierbij gaan om de Hofwijk nr. 4546 (nu/1868/: nr. 333334 van de sectie B, aangeduid als: 'de dreve, waeterput en hofstede van de weduwe griffier Keppens, wezende den hove en heerlykhede van Thermegem'. De auteurs de Potter en Broeckaert geven de volgende aanwijzing voor de woonst van de oudere generaties Braem: 'De herinneringen aan de meeste dezer heerlijkheden en leenen zijn heden te Elversele, zoals meest overigens overal, uitgestorven. Ook is er op het grondgebied dezer gemeente geen enkel overblijfsel eens kasteels recht gebleven, niets, behalve de gebouwen eener ouderwetsche hoeve, uitkomende aan eene dreef rechtover de kerk, en welke men binnentreedt door eene sterk gemetselde poort, waarop het jaartal 1648 staat te lezen. Men beweert nochtans dat de adellijke familie Braem, afstammende van degene der Vilains, hier haren burcht bezat, die destijds, onder anderen door den evengenoemden Godevaert Braem, in de geschiedenis des Lands van Waas om zijn rampzalig einde genoegzaam bekend) zou bewoond geweest zijn...In het leenboek van 1435 gewaagt alleenlijk van een dezen laatste (Godevaert Braem) toebehoorend leen, gelegen te Tielrode, doch dat zich evenwel ook te Elversele uitstrekte, blijkens de er van voorkomende beschrijving in het leenregister van 1528, luidende: 'Jan Braem, filius Godevaerts, es houdende een leen van den grave van Vlaenderen, groot twintig bundren, luttel min oft meer, gheleghen binnen der prochie van Helverzele ende Tielroede, int landt van Waes, waeraef hij maer en heeft up ende afvaerens ontrent zes bundren, landende oost sheeren strate, zuudt Philips ende Adriaen Braems volchleen, west Philips, Adriaen ende Hugo Braems volchleen, noordt Kateline Braems volchleen.' Dit leen was den graaf van Vlaanderen in de oorlog dienstplichtig met een paard, ter waarde van honderd schellingen pari. Godevaert Braem huwde in 1429 Clara Utenswaene, gezegd van Halen, overl. na 1452, dochter van Tristan en Aleide van Steenhoute. Clara Utenswaene werd als weduwe van Godevaert Braem van al haar goederen beroofd.

27. Jan Braem. Verschillende malen vermeld als zoon van Godevaert. Hij zegelt in 1515 (schild doorsneden: in I een uitkomende leeuw, overtopt door een barensteel, in II effen). Verklaart door tussenkomst van het baljuwschap van Waas een leen te houden van 19 bunders te Tielrode, Elversele en Waasmunster. Het gaat hier om hetzelfde wapen als dat van zijn vader Godevaert. De barensteel in het schildhoofd wijst er waarschijnlijk op dat Jan Braem de oudste zoon van Godevaert was. In 1509 wordt het leen van Jan Braem, zoon van Godevaert, te Tielrode vernoemd. Jan Braem huwde N.N.

28. Jan Braem, overl. ca. 1540. Met zijn echtgenote vermeld in de hoofdcijns van de Sint Amandsabdij. Griffier van Kieldrecht. Zegelt in 1535 (van sabel een schildhoofd in zilver = Vilain) als voogd van Messire Gillis de Hont (zijn schoonvader), die van de graaf van Vlaanderen een leen houdt te Sint Niklaas. Hij was gehuwd met Elisabeth De Hont, dochter van Gillis en Johanna Van Schaverbeke. Elisabeth De Hont was in 1547 als weduwe van Jan Braem een jaarlijkse rente verschuldigd aan de kapel van Sint Niklaas.

29. Gillis Braem, Vermeld in de hoofdcijns van de Sint Baafsabdij te Gent, weerbaar man te Elversele in 1552, tr. Beatrix verHerbrugghen, overl. 1561, dochter van Olivier en Lijsbet Geldolf.

30. Gillis Braem, geb. ca. 1550. In het kohier van de 5de penning uit 1584  Sint Niklaas opgetekend als zoon van Gillis. Met zijn echtgenote is hij cijnsplichtig aan de Sint Baafsabdij te Gent. Tr. Beatrix Van Peteghem, dochter van Petrus en Katelijne Van Doorselaer.

31. Katelijne Braem, als dochter van Gillis en met haar echtgenoot vermeld in de hoofdcijns van de Sint Laurentiusabdij. Tr. Jan Van Eyghen, geb. ca. 1567, zoon van Adriaan en Lysbette verEttinghe.

32. Katelijne Van Eyghen, geb. 24 februari 1613 Temse, overl. 11 december 1666 Tielrode, tr. 22 september 1635 Elversele met Laurentius Van Schoore, geb. 27 juni 1612 Tielrode, aldaar overl. 30 mei 1646, zoon van Jan en Thomasine Dullaert.

33. Carolus Van Schoore, geb. 25 mei 1641 Elversele, overl. 21 februari 1721 Tielrode, tr. Elisabeth Van Overloop, geb. ca. 1641, overl. 28 mei 1706 Tielrode.

34. Francies Van Schoore, geb. 21 october 1667 Tielrode, overl. 14 juni 1756 aldaar, begraven in de kerk, tr. 23 januari 1706 Sint Niklaas met Catharina Van Stappen, geb. 10 juni 1679 Sint Niklaas, overl. 12 maart 1767, begraven in de kerk. Catharina Van Stappen was dochter van Jan en Johanna Beirnaert.

35. Elisabeth Van Schoore, geb. 29 december 1709 Tielrode, overl. na haar echtgenoot, tr. 2 maart 1734 aldaar met Jan Frans Seghers, geb. 8juli1706 Tielrode, overl. 19 augustus 1760 Melsele, zoon van Frans en Elisabeth Volckerick.

36. Anna Maria Seghers, geb. 6 september 1734 Melsele, overl. 31 maart 1776 De Klinge (B). Na haar overlijden erfden haar broers en zuster land van haar gelegen in Tielrode en Sint Gillis. Zij huwde 15 maart 1760 Sint Gillis met Johannes Gabriel Vereecken, geb. 21 september 1726 te Vrasene, overl. 21 augustus 1769 De Klinge (B). Johannes Gabriel Vereecken was herbergier van de herberg  'In Den Beroesten Degen' te Vrasene. Op 24 juli 1769 kreeg hij van de magistraat van Hulster Ambacht een attest als inwoner van Hulster Ambacht. Mogelijk bezat hij al in 1769 de boerderij genaamd 'de Pauwhof' te Stoppeldijk.

37. Pieter Johannes Vereecken, geb. 31 juli 1767 De Klinge (B), overl. 20 november 1819 Stoppeldijk, landbouwer, tr. Catharina Johanna Vergouwen, geb. 1 juni 1782 Verrebroek, overl. 13 september 1828 Stoppeldijk,  dochter van Joos en Maria Monica Dansaert.

38. Johannes Vereecken, geb. 14 juni 1805 Stoppeldijk, overl. 26 december 1881 aldaar. Hij was landbouwer, burgemeester van Stoppeldijk van 1853 tot 1881 en lid van Gedeputeerde Staten van Zeeland. Zijn boerderij, 'de Pauwhof', in de streek 't kasteelken' genoemd, omvatte ongeveer 120 ha. Hij huwde 22 februari 1852 Stoppeldijk met Anne Marie De Poorter, geb. 6 october 1803, overl. 13 juni 1865, dochter van Frans en Johanna Schelfhout. Het echtpaar Vereecken-De Poorter staat met hun zoon Johannes Fransiscus, met op de achtergrond hun prachtig goed, afgebeeld op een groot schilderij uit 1858 van de bekende streekschilder Jan Haak.

39. Johannes Fransiscus Vereecken, geb. 10 november 1844, overl. 17 april 1884 Stoppeldijk. Hij woonde op de Pauwhof, was vanaf 1868 burgemeester van Boschkapelle en vanaf 1882 van Stoppeldijk, lid van Gedeputeerde Staten van Zeeland. Hij huwde 8 februari 1871 Stoppeldijk met Johanna Van der Veen, geb. 24 april 1842 Stoppeldijk, overl. 16 juli 1912 Sint Jansteen, dochter van Pieter Augustinus en Johanna De Vree.

40. Elisa Johanna Clara Vereecken, geb. 22 september 1881 Stoppeldijk, overl. 23 februari 1968 Sint Jansteen, tr. 17 augustus 1903 Stoppeldijk met Cyrillus Johannes De Kerf, brouwer (brouwerij 'De Appel' te Sint Jansteen), geb. 31 januari 1873 Sint Jansteen, overl. aldaar 2 november 1943.

41. Anna Maria Emerentia De Kerf, geb. 15 augustus 1909 Sint Jansteen, tr. 2 september 1936 aldaar Auguste Jean Marie Rottier, rentmeester, dijkgraaf, geb. 18 december 1907 Sint Jansteen, overl. 6 september 1990 aldaar, zoon van Honoré Petrus Joseph en Emelia Silphia Maria Vael.

42. Honoré Rottier, geb. 26 maart 1940 Sint Jansteen, Dr. hist., auteur, tr. 3 juni 1967 Villarssur Ollon (CH) met Anna Maria Elisabeth Kolpe, geb. 10 februari 1946 Örebro (Zw), dochter van Ragnar Olof en Anna Greta Elisabeth Lundgren.

43. Erik Auguste Olof Rottier, geb. 23 december 1968 Ukkel (B), bioloog, met Isabelle Elisabeth Paule Stercq, geb. 2 april 1969 EtterbeekBrussel, dochter van Ivan Joseph Paul Ghislain en Denise Simone Jacqueline Andrée Van Melle.

44. Bruno Honoré Elie Torbjörn Rottier, geb. 27 october 2002 GuatemalaCity. 

Ingezonden door: Dr. H.C.E.M. Rottier

(Gepubliceerde) bronnen:

• Adriaanse J. en Everaard J. De heerlijkheid van Sint  Jan ten Stene en Inghelosenberghe. Sint Jansteen 1936.

• Blockmans F. Het Gentse stadspatriciaat tot omstreeks 1302, Antwerpen, ’s Gravenhage 1938.

• De Backer L. Klapper op de hoofdcijnsboeken van Sint Baafs, 14601796, Sint Niklaas 1989.

• De Ghellinck Vaernewijck V. Chartes et documents concernant la famille de Vaernewijck, 3 dln. Gent 1932.

• De Groot L. Overzicht van het leenwezen in het Waasland vóór de 16de eeuw, in: Annalen Oudheidkundige Kring Land van Waas, dln. 58, 60, 61.

• De Kraker A. en Bauwens W. Polders en Waterschappen in het Hulsterambacht, Hulst 2000.

• De L’Espinoy Ph. Recherche sur des Antiquitez et Noblesse de Flandre, 3 dln. heruitgave Handzame 1972.

• De Potter F. en Broeckaert J. Geschiedenis der Gemeenten der Provincie Oost-Vlaanderen, Gent 1881.

• De Schoutheete de Tervarent A. Les anciennes magistratures du Pays de Waes, in: Annalen Oudheidkundige Kring Land van Waas, dl. 3

• De Schoutheete de Tervarent A. Livre des feudataires des comtes de Flandre au Pays de Waes au XIVe, Xve et XVIe siècles, in: Annalen Oudheidkundige kring Land van Waas, dl. 9.

• De Wilde J. Van den Vos Reynaerde ontsluierd, in: Kultureel Jaarboek voor de Provincie OostVlaanderen, Gent 1989.

• Duchesne A. Histoire Généalogique des Maisons de Guînes, d’Ardres, de Gand et de Coucy, Parijs 1631.

• Goethals V. Fonds Goethals, Koninklijke Bibliotheek Albert I, Brussel.

• Gottschalk M.K.E. De Vier Ambachten en het Land van Saeftinghe in de Middeleeuwen, Assen 1984.

• Koller F. Wapenboek van het Land van Waas, Sint Niklaas 1967.

• Rottier H. Het (Zeeuws)Vlaamse geslacht Rottier, 1300 - 2001, in: Vlaamse Stam. Tijdschrift voor familiegeschiedenis, novemberdecember 2001.

• Van Geertsom A. en Roggeman G. Hoofdcijnsboeken van het Land van Waas, 10 dln. Handzame 1971.

• Vercauteren F. Etude sur les châtelains comtaux de Flandre, Brussel 1937.

• Warlop E. De Vlaamse Adel vóór 1300, 3 dln. Handzame 1968.