| Reeks 5 |
Milet de Saint Aubin |
| Zie voor de hiervoor liggende generaties: Reeks 1 |
|
18. Catharina van Brederode,overleden 28 juni 1372, begraven te Monster; maakte 2 jaar eerder een testament en woonde toen te Rijnsburg. Tr. Jan I van Polanen, overleden op 26 september 1342 en begraven te Monster.
In 1327 werd hij beleend met Heemskerk en Castricum, hij werd ridder (1329) en baljuw in Rijnland (1331), Woerden, Kennemerland en West-Friesland. Op 19 november 1335 verwierf hij Capelle van heer Pieter van der Leek, terwijl hertog Jan 111 van Brabant hem op 9 dec. 1339 de heerlijkheid Breda, waarvan zijn broer Willem v. Duivenvoorde het vruchtgebruik had, voor 28.000 kleine florijnen verpandde. Op 15 januari 1342 beleende graaf Willem IV hem nog met een korentiende en de smaltiende in Poeldijk.
“ende nemense tot onsen zoenen, ende vrienscap, van alsulker misdaet, als si hadden an Willem Borts doet, ende gheven him onse land weder vrijelic in te wesen, ende hoir goed aen te tasten, ende te ghebruken, als zijt vinden ende hoir was, eer Willem Boirt voirscreven doet ghesleghen wort. Ende onbieden, ende bevelen allen onsen Baliuwen, ende Rechters, dat si se veijlich laten varen in onsen landen, ende hoir goed rustelike late ghebruken, so waert gheleghen is”. Op 6 augustus 1367 wordt hij genoemd onder de hoogheemraden van Woerden.
In 1383 worden Elias van Woudenberg en zijn medeplichtigen door de paus veroordeeld om de door hen sedert 1378 toege eigende goederen Engbroek en Ten Horst aan het kapittel ten Dom terug te geven, op straffe van excommunicatie. In het jaar daarop verbindt Elias zich om het kapittel niet meer te hinderen in het bezit van voornoemde goederen, waarna bisschop Florens, als scheidsrechter de goederen aan het kapiottel toewijst. Elias wordt op 7.5.1398 opgeroepen voor de tocjt naar Friesland en overlijdt na 13.12.1399. Waarschijnlijk is hij dezelfde die van 1367 tot 1397 als getuige wordt vermeld in de leenregisters van IJsselstein. Hij bouwt het huis Woudenberg te Woerden, dat heeft gestaan op Geestdorp nr. 33, waar zich thans nog een boerderij bevindt met de naam "Woudenberg".
21. Elias van Woudenberg, geboren (ca. 1390).
Elijas van Woudenberch (beleend met) 40 morgen lands gelegen tot Bredevelt int kerspel van Woerden, daerbove naest gelant is Jan van Lanscroon ende benede her Dircx erfgenamen van Sulen ten onversterfliken leen, te verheergewaden met eenen rode sperwair. Dits Elias verlijt anno X opte meije avond. Hij komt in hetzelfde register in hetzelfde jaar waarschijnlijk nog een keer voor, f. 30: Herman Ghisen tOudewater XII mergen lants die gelegen zijn in Korte Bloklandt, die Elijaes van Woudenberch te houden plach ten rechte lene, mit sulken voirwaerden ende rechte dat dit voirs. goet niet versterven en mach als langhe als eenige wittelike boorte leeft die van Peter Wayscild's lijve gecomen is ... Te verheergewaden mit eenen sperwer. Dits Herman voors. verlijt s... nae Paesschen Anno X. Mannen .. An die mijnre helft heeft Herman Catrijnen zijn wijve Herman Willemsz.dochter verlijftocht.(Catrijn Herman Willemsdr. was een zuster van Hendrik Hermansz.) RAU, Baronie van IJsselstein, f. 92 verso, d.d. 26.1.1431: Belast door Elias van Woudenberg, neef van de leenheer, voor schuld. Johan here tot Egmont ... doen kondt dat wij over ende aengeweest zijn daar onse neve Elias van Woudenberch bekent heeft sulke lossenisse van sculde als dese brieve daer dese brief doer gesteken is inhalt ende begrijpt, biddende ende begherende dat wij dat believen wouden ... ende want dit aldus gesciet is so hebben wij om beeden wille Elyaes onsen neven voirs. belieft ende consenteert, believen ende sonsenteren voir ons ende onse nacomelingen mit desen brief ... Des wij oirconden ... oeck werden hem die goede tot dier tijt verlijt opte XXVI dach in januario Anno XXXI.
Lijftocht, als neef van de leenheer (de heer van IJsselstein), zijn vrouw, Lutgard, aan 40 morgen land te Breeveld bij Woerden. Wordt in 1476 voor het laatst vermeld en is klaarblijkelijk de laatste van zijn lijn. Inventaris van het archief van de familie Heereman van Zuijdtwijck 1360 1880: Een vicarie op het altaar van Johannes de Doper in de St. Pancraskerk te Leiden: Inv.nr.1782: 23. Johanna van Woudenberg, tr. 1474 te Woerden met Peter van Winssen, overleden 1483 te Utrecht (begraven bij de Karthuizers te Utrecht).
Een vicarie op het altaar van Johannes de Doper in de St. Pancraskerk te Leiden: Inv.nr.1782: Stukken betreffende processen over de begeving van deze vicarie 1550 1559, (9 stukken en 1 charter): Inv.nr. 1783:
Inv.Nr. 139, anno 1492 (1 charter): Jacob van Winssen, kanunnik van het kapittel, erkent, dat het kapittel hem voor zijn leven verkocht heeft een huis en hofstede binnen de montade van de kerk, daar Jan van Renesse van Wulven in gewoond heeft, en zulks op voorwaarden en renten, vermeld in de hier ingelaste brief van het kapittel. Inventaris van het archief van de familie Heereman van Zuijdtwijck 1360 1880. Inv.nr. 1088: Akte waarbij deken en kanunniken van het kapittel van St. Pieter te Utrecht Jacobus van Winssen als kanunnik opnemen, gepasseerd voor notaris Ghijsbert Stevensz. van Merlo, 1484 (1 charter in het Latijn). Vicarien op het altaar van de heilige Drievuldigheid in de Nieuwekerk te Amsterdam, (Inv.nr. 1641): Akte van overdracht van het collatierecht van de vicarie door Jacob van Winssen aan zijn broer Gerrit van Winsen, gepasseerd voor notaris Gerardus Bijer, 1507; met akte van bekrachtiging van de overdracht door Frederik van Baden, bisschop van Utrecht, 1507 (2 getransfigeerde charters in het Latijn). Inv.nr. 1089: Octrooi van keizer Karel V voor Jacobus van Winssen om bij testament over zijn leengoederen te mogen beschikken, 1539 (1 charter). ".... Doen te weten dat ten ootmoedigen bede ende begeerte van heer Jacob van Winsen canonick van Sinte Pieters kercke In onsse stede van Wuijtrecht geboren van Woerden ... ... wettige zone wijlen Pieter van Winsen ende Janna van Woudenberch zijne huisvrouw" etc. etc Verwijzingen van Cornelis Booth naar zijn eigen delen met transcripties (de nummers geven de inventarisnummers in het Rijks Archief te Utrecht aan): 155-7, fol.197, 197 verso, d.d. 1520: Deijlenisse gedaen bij Jacob van Winssen ten behoeve van Loef Verhaer (pruster?): "Ick, Willem van Rossum, h[eer] van Zoelen, Reijnauwen, doe cond alle luden dat voor ons ende onse mannen van leen nabescreven gecomen is den eersamen h[eer] Jacob van Winsen, can[onick] S[inte] Peters tUtr[echt] en[de] bekende met sijns voechts hant, daer hij mit recht en[de] oordeel toequam voor hem ende sijnen leenvolger schuldich te wesen vuijt 24 m[ergen] l[and] alse die gelegen sijn int nedersticht va[n] btp.(?) in Vechterebroeck, dat hij van de hoffstede Reijnauwen te leen houdende is, den eers[ame] h[eer] Louff van der Haer ende sijnen nacomelingen, 4 goede goude overlantse keurvorster Rijnse g[uldens], gewichten voor datum sbriefs gemunt, of ander goet paijement der weerden, sjaers erffelicke losrenten, te betalen d'een helfte opten paeschdach nu naestcomende en[de] dander op h[eilige] Victoeren d[ach] daer naest volgende ende soe voorts, jaerlics erffelick, mit sulcke vorwarden, dat h[eer] Jacob van Winsen voors., of sijne nacomelingen, dese voors. 4 goude g[uldens], tot alre tijt alst hem betreft, op enich termijn van betalinge, van h[eer] Loef v[ander] H[aer], of sijne nacomelingen, sullen mogen vrijen en[de] of coopen, elcken pen[ning] met sestien der selve pen[ningen] paijements voors[creven], ende mitte renten, die dan dair of verschenen en[de] onbetaelt waren, welcke vercopinge der renten vuijt die 24 m[ergen] l[and] voors[creven] bijden hier voors[creven] h[eer] Jacob van Winsen, can[onick], aldus gedaen. Ick, Willem van Rossum, als leenheer mit onse hant vertegen, toe laten ende confirmeren ten leenrecht stedicheijt te houden, als dat van rechten wegen behoort, hier waren over ende aen Athonis van Kuijck en[de] Pelgrum van Hoeij, onse mannen van leen van[de] hofstede van Reijnauwen, ende meer 9 luden, allen dink(?) h.arch.(?). In orcond sbriefs besegelt mit onse segel wthangende. Gegeven int jaer o[nses] h[eren] 1520 den woensd[ach] na Maurtii dach." 155-7, fol.61 verso, d.d.1524: "Ic, Willem van Rossum h[eer] van Zoelen, Maerscalc, doe cond als mo[m]ber [van] Joffer Anna van Herfft, mijnre huijsf[rouw], dat voor mij en[de] mannen van leen gecomen is h[eer] Jacob van Winssen, met Willem van Quirmont, sijnen gecoren momber en heeft met sijnen vrije wille overgegeven 24 m[ergen] l[and] gelegen tot Vechten, daer naest gelant sij Beernt VuijtenEnge en[de] Ghijsbert van Hardenbroeck ende daer nae hebbe ic hier mede verlijt Gerrit van Winsen sijnen broeder mit conditen dat hij sal geven bij het aenveerden Peter sij neef ende Joist sij nichte nat[uurlijke] kijnderen h[eer] Jacobs voors. 600 B[rabantssche] g[uldens] ten overstaen van Johan van Malsen ende Jan van der Borch, mannen des gestichts. In orkondt der waerheijt gegeven int jaer o[nses] h[eren] 1524 tsanderen dage na S[inte] Crusis Exaltatie, hetsegel war gebroocken." "Versocht dese 24 mergen l[and] van Oth van Appeltern als man ende voocht van Joffr[ouw] Cornelia van Hoxwir(?) vr[ouwe] tot Rijnauwen sij huijsf[rouw] en[de] Evert Helmich sijnen stadthouder v[an[ leenen ten overstaen h[eer] Dirck Bor v[an] Amerongen en[de] Gijsbert v[an] Schonenb[urg]. 7(?) . Peter van Winssen na dode Helias sijn broeders, beleent met Bernts wed[uw]e Utenenge, h[eer] Gijsb[erts] d[ochte]r v[an] Hardenbr[oeck], den 25 novemb[er] 1569." (Voor de laatste paar regels staat in de marge geschreven: "Gerrit van Winssens kinder".) 155-7, fol.104 verso en 105, d.d. 12.3.1547: "Ick, Helijas van Winssen, oudste soone ende leenvolger van za[liger] Gerrit van Winssen, mijnen vader, belije en[de] bekenne mids desen voor mij ende mijnen erfgenamen dat ic wettelicken en[de] wel vercocht hebbe vuijt alle mijne goederen Jan van Thiel, Bernt van Thielsz., die hij hadde bij Joostgen sijn wijf, haren Jacob van Winssens nat[uurlijke] dochter en[de] dit voor alsulcke drie hondert car[olus] R[ijnsche] guldens, als h[eer] Jacob Joosgen sijne nat[uurlijke] d[ochte]r voorn[oem]t des voors[creven] Jans moeder tot hooren deel toegevoecht heeft int transporteren van seeckere 24 mergen l[and], gelegen tot Vechten, leengoets welcke h[eer] Jacob van Wijnssen mijnen oom, Gerrit van Winssen mijnen vader zalig[e]r get(?) voor Jonck[er] Willem van Rossum, heere tot Zoelen, overgegeven heeft, vermogens de leenbrief daer aff sijnde in dato XVc XXIIII, achtien goeden goud[en] C[arolus] k(?) gulden tot XX gevalueerde Hollantse st[uvers], den 22 Augusti en[de] den 22 febr[uari], mit vorwarden dat ic, Helijas van Winsen voorn[oem]t en[de] mijnen erfg[enamen] sullen mogen affcopen mette somme van eens drie hondert der selve g[uldens], cum clausulis etiammum consuetis, des voorconden soo hebbe ick Helijas van Winssen voors[creven], desen brief onderteijckent en[de] daer toe ghebeden Willem van Snellenberch, mijnen neve, desen brief over mij te besegelen, want ick op dese tijt selver geen segel en hebbe. Gegeven int iaer o[nses] h[eren] 1547, opten XII dach in meert." Resumé: Jacob van Winssen, kanunnik van St. Pieter te Utrecht, vestigt in 1520 een jaarlijkse erfelijke rente van 4 goudgulden, ten gunste van Loef van der Haer en diens nakomelingen, uit zijn 24 morgen land te Vechten, welke hij in leen houdt van de heer van Rijnauwen. E.e.a. op voorwaarde dat Jacob van Winssen, of diens nakomelingen (toen moet Jacob dus reeds kinderen hebben gehad, anders spreek je van een priester niet van diens nakomelingen), de erfrente mogen afkopen. [Deze 24 morgen zullen haast zeker zijn de 24 morgen land te Vechten, waarmee Peter van Winssen zijn echtgenote Johanna van Woudenberch in 1474 mee lijftocht.] In 1524 draagt Jacob van Winssen voornoemde 24 morgen land over aan zin broer Gerrit, waarbij de laatste aan de natuurlijke kinderen van Jacob van Winssen, nl. Peter en Joostje, totaal 600 gulden moet betalen. Op 12 maart 1547 verkoopt Elias van Winssen, oudste zoon en erfgenaam van zijn (inmiddels overleden) vader Gerrit van Winssen, aan Jan van Tiel, zoon van Bernt van Tiel en Joostge van Winssen, heer Jacob van Winssens natuurlijke dochter, voor de 300 gulden die zij van Gerrit van Winssen in 1524 als haar deel van de 24 morgen land had gekregen, een rente van 18 gulden, te betalen op 22 augstus en 22 februari, onder voorwaarde dat Elias, of diens erfgenamen, de erfrente kunnen afkopen voor de somma van 300 gulden. In 1569, na de dood van Elias van Winssen, wordt diens broer Peter van Winssen met de 24 morgen land beleend.
Stukken betreffende een uiterwaard, ter grootte van 8 morgen, gelegen aan de Lingen, ten oosten van het huis Rumpt, Inv.nr. 2422: Kwitantie van Joachim Verhaar voor Wilhelmina van Scherpenzeel, weduwe van Gijsbert Pieck van Tienhoven, wegens betaling van de helft van de erfpacht op het land, 1614; met als retro acte stukken betreffende de eigendom van de erfpacht voor respectievelijk Eustaas van Scherpenzeel, Geertruid van Gent, weduwe van Johan van Winssen en Joachim Verhaar, 1580 1608 (3 getransfigeerde charters). GAU, Inv.Nr.I 705, fol. 39, 40, d.d. 15.1.1557: "Geertruijt Jan van Winsens wedue mit horen gecoren voecht in desen saecke daer In.. Melchior Jacobse van Nijenhuijs ende Adriaen van Rhenen als momboers van hoer comparante kijnderen geprocreert bij sa. Jan van Winsen hoiren man voirscr." (De kinderen worden helaas niet met namen genoemd.) GAU, Inv.Nr. I 705, fol. 12, 13, d.d. 5.7.1564: "Jan Gerritse Lauwer borger dese stadt Utrecht ende verplach belijden ende bekende schuldich te wesen voer hem zelven ende als man ende voecht van Margriet sijn huijsvrouw daer bij Ec...(?) Gertruijt Johan van Winsens weduwe een Jaerlicxe erffrente van zess carolus guldens van XX stuvers tstuck ende vijff stuvers siaers / tot (behoeve?) vande voorscr. Geertruijt mitgaeders Jacoba ende Johan haer kijnderen geprocreer bij Johan van Winssen voorscr." (GAU, I 704, fol.243/245, d.d. 23.5.1567) Het huis en hofstede, eertijds in bezit van Christina Rijckoud de Wilde dochter, in de Ambachtstraat te Utrecht, wordt door Geertruid, weduwe van Jan van Winsen, mede met hun kinderen Peter, Jacobgen en Jan, getransporteerd aan Marrichgen, weduwe van Claes Thijmansz. De belendingen zijn de godskameren van St. Jan en de Buurkerk en het is belast met negen gulden per jaar losrente, 3 stuivers t.b.v. het kapittel van St.Jan, 1 braspenning en 1 penning t.b.v. St. Pieter. 27. Christina van Winssen, nog onmondig in 1599, tr. ca.1604 met Johannes Crellius, medicine docter, overleden te Dordrecht in 1622, tussen 18 juni en 13 december.
Op 5.6.1610 te Franeker als student ingeschreven:
"Johannes Crellius Wittebergensis, medicus Dordracenus, renunciatus
medicine docter." 29. Isaacq Godron, gedoopt
op 03.1.1647 te Utrecht, overleden op 7.2. 1738, ondertrouw op 4.4.1670 te
Brummen, tr. op 28.4.1670 te Utrecht met Janneken Jans van Tonden, geboren te
Brummen, overleden op 3.5.1725 te Utrecht.
De weduwe van Nicolaas Godron, agter de Wal bij de Weerdpoort. d.d. 30.4.1751 Is gecompareerd Cornelia Vink, de weduwe, en verklaarde dat haar man geen onmondige kinderen of ergen. heeft nagelaten.
De naaste vrienden van Cornelia de Vink, weduwe van Nicolaes Godron, in het Hamsteegje bij de Bakkerbrug van Beijnum d.d. 29.2.1760: verklaarde de Deurwaarder Dirk van de Water dat de naaste vrienden niet te vinden zijn.
De weduwe van Jacobus Goderon, in de Lange St. Jan straat. 7 onmondige kinderen Sesselaar: 8.3.1762: Compareerde Helena Boonkens, de weduwe, en stelde tot voogd over Nicolaes, oud 18, Christina 15, Johannes 12, Jacobus 10, Theodorus 7, Helena Anna 4, Wilhelmus Cornelis 1 1/2, haar broeder Hermanus Boomkens, de welke mede Compareerde en verklaarde die voogdije aan te nemen.
Lange Nieuwstraat, oostzijde, Helena Bonke, weduwe Godron, baker, den 16 aug. 1793 is gecompareert de weduwe Godron en heeft gedeclareert niet tot één duizend gulden gegoed te zijn.
Smitmeester op de Munt. Zakkedragerssteeg wijk D Turkije. Op 10.8.1793 verklaart Nicolaas Godron niet in de termen van 't placaat te behoren, echter vrijwillig te betalen.
33. Everharda Clementia Godron, kinderschoolhouderes, gedoopt op 2.5.1784 te Utrecht, overleden op 5.9.1855 te Amsterdam. Tr. Carel Zigeler, korenmeter, geboren te 's Hertogenbosch, overleden te Amsterdam, woonde op 6.5.1813 op de Reguliersgracht bij de Utrechtsedwarsstraat, Amsterdam. 34. Johanna Maria Zigeler,
geboren op 6.5.1813 te Amsterdam, overleden op 15.10.1882. Tr. op 10.8.1836 te
Amsterdam met Dirk Milet de St. Aubin, geboren op 1.8.1814 te Amsterdam,
overleden op 24.4.1897 te Amsterdam. Woonde in 1882 in de Boomstraat 6. Na
de dood van zijn echtgenote verhuisde hij in 1883 naar de gemeente Sloten,
alwaar hij in 1890 nog woonde op het adres Overtoom E 11. 37. Ds. Carel Everhardus Hendricus Johannes Milet de St. Aubin, predikant, geboren op 31.1.1887 te Amsterdam, overleden en begraven in 1963 te Deil, tr. op 8.5.1915 te Uccle (België) met Alida Maria Boekhout. |
|
Bronnen:
|