Reeks 5

Milet de Saint Aubin

Zie voor de hiervoor liggende generaties: Reeks 1

18.    Catharina van Brederode,overleden 28 juni 1372, begraven te Monster; maakte 2 jaar eerder een testament en woonde toen te Rijnsburg. Tr. Jan I van Polanen, overleden op 26 september 1342 en begraven te Monster.

    Wordt op 6 december 1305 genoemd als zoon van Philips van Duivenvoorde en 30 maart 1306 als neef van Dirk van den Wale, die hem 17 september 1311 de molen te Voswijc in Monsterambacht schonk. Van zijn vader erfde hij tussen 1307 en 1309 de bezitting Polanen, eveneens gelegen onder Monster. Op 30 maart 132622 pachtte hij de heerlijkheid van de Lek, te weten de ambachten: Krimpen aan de Merwede ( = aan de Lek), Krimpen aan de Yssel, Ouderkerk en Zuidbroek “om 490 pond Hollands, den grote Tornoyse voir achte penninghe gherekent, die hi ghehelic ende al betaeld hevet”.
    In 1327 werd hij beleend met Heemskerk en Castricum, hij werd ridder
    (1329) en baljuw in Rijnland (1331), Woerden, Kennemerland en  West-Friesland. Op 19 november 1335 verwierf hij Capelle van heer Pieter van der Leek, terwijl hertog Jan 111 van Brabant hem op 9 dec. 1339 de heerlijkheid Breda, waarvan zijn broer Willem v. Duivenvoorde het vruchtgebruik had, voor 28.000 kleine florijnen verpandde. Op 15 januari 1342 beleende graaf Willem IV hem nog met een korentiende en de smaltiende in Poeldijk.
     
Uit dit huwelijk o.m.: 19.    Gerard van Polanen, moet overleden zijn op 3 mei 1380, tr. tussen 1350 en 1359 Lutgaert van de Wulvenhorst, overleden 9 dec. 1411.
    Vermeld met zijn 3 broeders op 25 mei 1344, terwijl zijn oom Willem van Duivenvoorde hem 3 juli 1350 het goed te Berkel, benevens o.a. 100 pond jaarlijks aldaar, ten laste van de grafelijkheid, en de tienden van 8 hoeven moer bij Nootdorp en Pijnacker vermaakte. Op 12 januari 1360 wordt hij ridder genoemd, hij verkoopt dan een rente, groot £l oude grooten jaarlijks uit het land van Breda, aan zijn oudste broeder. Op 1 augustus 1365 vergaf de ruwaard aan de heren Reinoud van Brederode, Gerrit van Polanen, Gerrit de Monic en Willem van Slingeland het doden van Willem Boirt in de volgende bewoordingen:
    “ende nemense tot onsen zoenen, ende vrienscap, van alsulker misdaet, als si hadden an Willem Borts doet, ende gheven him onse land weder vrijelic in te wesen, ende hoir goed aen te tasten, ende te ghebruken, als zijt vinden ende hoir was, eer Willem Boirt voirscreven doet ghesleghen wort. Ende onbieden, ende bevelen allen onsen Baliuwen, ende Rechters, dat si se veijlich laten varen in onsen landen, ende hoir goed rustelike late ghebruken, so waert gheleghen is”.
    Op 6 augustus 1367 wordt hij genoemd onder de hoogheemraden van Woerden.
20.    Rixa van Polanen, overleden aug.1402, tr. Elias van Woudenberg, geboren ca. 1345, overleden na 1399.
    Door nog onbekende oorzaak was Woudenberg uit het bezit van het gelijknamige geslacht geraakt. Waarschijnlijk is deze Elias dezelfde die we later in de veertiende eeuw tegenkomen in Woerden en omgeving. Deze komt in 1369 als knaap voor onder de leenmannen van Ghyote, vrouwe van Egmond, en wordt vermeld als "neef van de leenheer". In 1376, tijdens de Utrechtse oorlog, houdt hij, in opdracht van hertog Aelbrecht, met 20 gewapende mannen het huis Woerden. Voor iedere dag zal hij 4 oude schilden ontvangen, hetgeen neekwam op een bedrag van 804 oude schilden. Elias en zijn mannen weten het dus 201 dagen uit te houden. De hertog beleent hem op 17.1.1376 voor dat bedrag met 12 morgen te Alphen, 8 morgen in Hedikendorp, 8 morgen aan de Linschoten en 4 morgen in Cattenbroek.
    In 1383 worden Elias van Woudenberg en zijn medeplichtigen door de paus veroordeeld om de door hen sedert 1378 toege eigende goederen Engbroek en Ten Horst aan het kapittel ten Dom terug te geven, op straffe van excommunicatie. In het jaar daarop verbindt Elias zich om het kapittel niet meer te hinderen in het bezit van voornoemde goederen, waarna bisschop Florens, als scheidsrechter de goederen aan het kapiottel toewijst. Elias wordt op 7.5.1398 opgeroepen voor de tocjt naar Friesland en overlijdt na 13.12.1399. Waarschijnlijk is hij dezelfde die van 1367 tot 1397 als getuige wordt vermeld in de leenregisters van IJsselstein. Hij bouwt het huis Woudenberg te Woerden, dat heeft gestaan op Geestdorp nr. 33, waar zich thans nog een boerderij bevindt met de naam "Woudenberg".
 Uit dit huwelijk:
  • Jan van Woudenberg. Wordt in 1405 beleend met de tiende in Maasland en draagt dit vervolgens over aan zijn broer Herbaren. Waarschijnlijk is hij dezelfde die, kort voor 28.9.1405, huwt met Ermzont Willemsdr. van Dongen, die nog op 4.1.1444 als zijn weduwe wordt vermeld.
  • Herbaren van Woudenberg. Verkoopt de tiende in Maasland in 1416 aan Jan Roelensz. van Puttensteijn.
  • Elias van Woudenberg, geboren (ca. 1390), volgt hierna.
 

21.    Elias van Woudenberg, geboren (ca. 1390).

    RAU, Baronie van IJsselstein, inv.nr. 1, f. 92, d.d. 30.4.1410:
    Elijas van Woudenberch (beleend met) 40 morgen lands gelegen tot Bredevelt int kerspel van Woerden, daerbove naest gelant is Jan van Lanscroon ende benede her Dircx erfgenamen van Sulen ten onversterfliken leen, te verheergewaden met eenen rode sperwair. Dits Elias verlijt anno X opte meije avond.
     
    Hij komt in hetzelfde register in hetzelfde jaar waarschijnlijk nog een keer voor, f. 30:
    Herman Ghisen tOudewater XII mergen lants die gelegen zijn in Korte Bloklandt, die Elijaes van Woudenberch te houden plach ten rechte lene, mit sulken voirwaerden ende rechte dat dit voirs. goet niet versterven en mach als langhe als eenige wittelike boorte leeft die van Peter Wayscild's lijve gecomen is ... Te verheergewaden mit eenen sperwer. Dits Herman voors. verlijt s... nae Paesschen Anno X. Mannen ..   An die mijnre helft heeft Herman Catrijnen zijn wijve Herman Willemsz.dochter verlijftocht.(Catrijn Herman Willemsdr. was een zuster van Hendrik Hermansz.)
     
    RAU, Baronie van IJsselstein, f. 92 verso, d.d. 26.1.1431:
    Belast door Elias van Woudenberg, neef van de leenheer, voor schuld.
    Johan here tot Egmont ... doen kondt dat wij over ende aengeweest zijn daar onse neve Elias van Woudenberch bekent heeft sulke lossenisse van sculde als dese brieve daer dese brief doer gesteken is inhalt ende begrijpt, biddende ende begherende dat wij dat believen wouden ... ende want dit aldus gesciet is so hebben wij om beeden wille Elyaes onsen neven voirs. belieft ende consenteert, believen ende sonsenteren voir ons ende onse nacomelingen mit desen brief ... Des wij oirconden ... oeck werden hem die goede tot dier tijt verlijt opte XXVI dach in januario Anno XXXI.
     
22.    Elias van Woudenberg, geboren (ca.1420), overl. na 1476, tr. Ludgard (van Alphen), geboren (ca.1420), dochter van Kerstant Dammasz.
    LRK 274, f. 596, d.d. 11.9.1451:
    Lijftocht, als neef van de leenheer (de heer van IJsselstein), zijn vrouw, Lutgard, aan 40 morgen land te Breeveld bij Woerden.
     
    Wordt in 1476 voor het laatst vermeld en is klaarblijkelijk de laatste van zijn lijn.
     
    Inventaris van het archief van de familie Heereman van Zuijdtwijck 1360 1880:
     
    Een vicarie op het altaar van Johannes de Doper in de St. Pancraskerk te Leiden:
    Inv.nr.1782:
    • Akte, waarbij  Garbrand Zeurmondt, pastoor van Spaarnwoude, wordt toegelaten tot de vicarie op voordracht van Luijtgardis van Woudenberch en haar echtgenoot Elya van Woudenberch, gepasseerd voor notaris Johannes Johannis te Leiden, 1490 (1 charter in het Latijn).
 
23.     Johanna van Woudenberg,  tr. 1474 te Woerden met Peter van Winssen, overleden 1483 te Utrecht (begraven bij de Karthuizers te Utrecht).
    Inventaris van het archief van de   familie Heereman van Zuijdtwijck 1360 1880. Inv.nr. 1079: Akte van huwelijkse voorwaarden, 1474 (1 charter).
     
    • Alle degenen doe wij verstaen WILLAM VAN VALCKENDAEL ende JOHAN GOMENGIES van der eenre ende WILLAM VAN BOSHUSEN baillue van Woerden ende AELBERT VAN MAERSSEN vander andere zijde, dat wij dair over ende aen waren alse MAECH MANNE ende hijlixlude inde vergaderinge des hijlicx tusschen Peter van Winssen op die een ende Eelgis van Woudenberch met Jo: Johanna sijnre dochter op die andere sijde, als dat P. van Winsen ende J. Johanna voorscr. in wettelicken huwelic vergadert sijn bij horen vrinden ende magen, ende Peter voirseijt brengt aen J. Johanna sij wijve voorscr. alle alsulcke goeden ende erven als hij opden dach van huden heeft ende Eelgis van Woudenberch voorscr. geeft in rechten mede gave mit J. Johanna sijnre dochter voorscr. dese nabescreven goeden, dat is te weten die hofstede van Woudenberch also als die gelegen is inden lande van Woerden bij de ..thove(?) bij Meelogen(?) mit alle sij toebehoren, vuijtgescheijden enen mergen lands die Willam van Boschusen b. van W. inde voorscr. hoffstede leggende heeft, welcke merge lands men lossen mach met veertich Reijerse gulden gerekent voor 14 Bourgomsche witte stuvers mittew renten van den selven. Behoudenlic dat Peter van Winsen alle iaers vuijt reijcken sal Eelgis van Woudenberch ende J. Lutgaert sijnen wijve tien Reijers gulden voirs gedurende hoir beijder leven lang. Ende Peter van Winsen voorseit sel binnen ses weecken naestcomende J. Johanna sinen wijve lijftochten aen 24 mergen lants tot Vechten gelegen, die omtrent XVIII oude schilden sjaers weerdich sijn, mit vorwarden wair saecke dat hij dat niet en dede ofte sijn leenheer daer niet in en wille consenteren, soo gelovet hij J. Johanna te lijftochten aan anderen eijgen goeden totte voorscr. somme toe (de conditien sij dat in ras(?) van geen kijnderen sij overlevende sal vuijtgaen met hair aengebrachte goederen, cleren, cleijnodien ende aenval oeck lijftochte, dese hijlixe vorwaren sij te verstaen sonder agelist, ende sullen die binnen siaers naestcomende malcanderen belijen ende aenbrengen, dair ende alst behoort.
    • In kennisse der waerheijt so hebben wij Willam van Valckendael, J. van Gomengies, Willam van Boschusen onse segelen aen desen brief gedaen, ende want ic Aelbert van Maerssen op dese tijt selve geen segel en hebbe so heb ic gebeden W. van Boshusen voirscr. desen over mij mede te besegelen. Tenen oirconde deser brieven sij twee alleens sprekende gegeven int iaer o.h. 1474, op S. Pancraes avont.
    Inventaris van het archief van de   familie Heereman van Zuijdtwijck 1360- 1880.  Inv.nr. 1081. Testament, ten overstaan van schepenen van Woerden, van Johanna van Woudenberch, 1535 (authentiek afschrift, 16de eeuw, 1 stuk).
     
    • ".... ende gecomen is uijt heuren vrijen moet wille Jouffrou Janna Pieter van Winssen weduwe mit Willem Dircx ende onse serre...arms (?) haren gecoren voacht. Un dese ....."
    • "Inden yersten bevelende haer ziel Inden handen Gods almachtich ...."
    • "maeckt ende gaff Gerit van Winsen haren zoon ende Joufrou Agnes van Winsen Thomas Jansz. huijsvrou haer dochter te sommen(samen?) die percelen van haer landen ende goeder hier nae beschr. dije zij leggende heeft van Utrecht nae Inhoudts haer gescheyde brieff wel eer gemaect tusschende voirnd. comparante ende haer voirscr. kinderen wesende In date opten vierden dach In Julio a XV C ende veertien
     
    • Inden ersten dije helft van drije mergen lants leggende Inde Wijers ende bruijck althans dije weduwe van Claes van Hindersteijn tUtrecht.
     
    • Noch daer toe die helft vande vier mergen landts leggende tot Schalkwijck.
     
    • Noch daer en boven dije helft van elfftalve mergen lands leggende bij Apcoude Ende Dorrewaert ende dairenboven noch twe oudt schilden des Jairs ewige erffelicke Renten Jaerlicx staende op dije stadt van Utrecht.
     
    • Item voort soe maecke ende gaff Jouffrou Janna Pieter van Winsen wedue mit haeren gecoren voocht voorscr. den voorn. Gerijt van Wijnsen haren soon alle haer beesten tzij paerden, ofte hornbeesten mit alle tilben(?) have ende mit alle den huijsraidt ende Inboedel haer toe behoerende nae Inhoudts haer gesch... brieff ende desselve Gerijt van Winsen haren zoon voorscr. eens an gerende(?) penningen ofte gelden vuijtreijcken ende geven heer Jacob van Winsen sijn broder ende Jouffrou Agnes van Wijnsen zijn suster voorscr. elcx twintich rinsche gulden current ende daer en boven sel Gerijt van Winsen haren zoon voorscr. Jaerlicx geven ende betalen den voorn. Jouffrou Agnese van Winsen sijn suster ses Rijnsche gulden current tstuck van veertich groten Vlaems dije hij zijn voorscr. suster verseeken sal mit brieven op seekere pcelen van landen ofte anderen goeden saer sij angehouden zal wesen behoudelick dat Gerijt van Winsen voorscr. des voorscr. zes currente gulden off lossenen ende quijten sal moegen den penninck mit seventien penningen ende mitten verschenen ende onbetaelde Renten nae beloept des tijdts Ende midts dese voorscr. maeckinge zoe wijl Joufr. Janna Pieter van Wijnsen weduwe mit haren gecoren voecht voorscr. dat Jouffrou Agniese haer dochter mit haer man voorscr. off staen sullen van alle haren goeden ende wesen daer mede te ... en.....? Item Jouffrou Janna Pieter van Winsen weduwe mit haeren gecoren voecht voorscr. maeckte ende gaff Joiffrou Anthonia Gerijt haer zoon voorscr. dochter alle haer cleijderen cleijnoeden gelden ofte penningen goudt silver gesteenten ofte anders dat sij after laeten sal ende des sel. Gerijt van Winsen haeren zoon voorscr. wederomme vuijt sijnen boel geven ende betalen alle zijn moder voorscr. testamente doodschulden ende alle anderen sculden niet daer van uijtgesondert. Item voorts ordoneerde ende wilde Jouffr. Janna Pieter van Winsen weduwe mit haeren gecoren voecht voorscr. vuijt crachte ende machte van haer voorscr. octroy dat Gerijt van Winsen haren zoon voorscr. zijne kinderen hebben ende houden sullen alzulcke ewige erfrenten als zij op die stede van Amsterdamme heeft voerden gerechte van Amsterdamme nae Inhoudts zijn brieff Item noch soo ordoneerde ende wilde Joufrou Janna Pieter van Winsen wedue mit haeren gecoren voocht voorscr. vuijt crachte ende machte van haer voorscr. octroy dat Gerijt van Wijnsen haeren zoon voorscr. hebben ende houden zal halff haer huijsinge bergen schuren binnen dije hoffstede gepoot ende geplant landt sait alzoe groot ende cleijn als zij dije besit bewoent ende gebruijct op Geestdorp dije zij Gerijt van Winsen haer zoon voorscr. In hijlicx voorwaerden gegeven heeft nae Inhoudts zijn hijlicx brieff Item noch hier en boven zoe ordoneerde ende wilde Jouffr. Janna Peter van Wijnssen wedue mit haer gecoren voocht voorscr. vuijt crachte ende machte van haer voirscr. octroij dat Gerijt van Wijnsen haer zoon voorscr. hebben den houden sal alzulcke veertich mergen leengoedts diemen houdt te leen vanden heer van Ijsselsteijn daer van dije verlijdinge heeft nae Inhoudts zijn leenbrieff. Ende dijtselffde vande veertich mergen leengoedts ordoneerde ende maecke Jouffr. Janna Pieter van Winsen weduwe mit haeren gecoren voocht voorscr. voor Aelbert van Egmond castellein van Woerden ende Jan Fransz. poerter tot Woerden als leenmannen vande heer van IJsselstein dat Gerijt van Winsen haeren soon voorscr. dije hebben ende behouden sal nae Inhoudts zijn leenbrief Ende Gerijt van Winsen haer soon voorscr. ofte zijnen kinderen sullen gehouden weesen heer Jacob van Winssen sijnen broeder nae haeren overlijden sijn leven lanck Jaerlicx tegener negen(??) gulden current dije hij zijnen broeder verseeken sal mit brieven op seekere pcelen van lande ofte goedr daer hij Ingehouden sal wesen. Item noch zoe bekent ende belijt Jouffr. Janna Pieter van Winsen weduwe mit haren gecoren voocht voorscr. alle dat gene dat Gerijt van Winsen haeren zoon voorscr. gecoft ende dije brieve daer van ontfangen heeft tsij van landen reliten(?) ende anders dat zij dat mit sijn eijgen proper goeden betaelt heeft. Item vinde noch vorder te vestigen dese hare voorscr. uterste wille ende testamente zoe heeft Jouffr. Janna Pieter van Winssen wed...
    Inventaris van het archief van de familie Heereman van Zuijdtwijck 1360-1880:
     
    Een vicarie op het altaar van Johannes de Doper in de St. Pancraskerk te Leiden:
     
    Inv.nr.1782:
    • Akte, waarbij  Garbrand Zeurmondt, pastoor van Spaarnwoude, wordt toegelaten tot de vicarie op voordracht van Luijtgardis van Woudenberch en haar echtgenoot Elya van Woudenberch, gepasseerd voor notaris Johannes Johannis te Leiden, 1490 (1 charter in het Latijn).
     
    Stukken betreffende processen over de begeving van deze vicarie 1550 1559, (9 stukken en 1 charter):
     
    Inv.nr. 1783:
    • Repliek van de procureur Johannes van Endegeest, patronus, en Jacobus van Endegeest, voorgedragen voor de prebende, in het proces voor de geestelijke rechtbank te Utrecht tegen Elya en Ludolph van Winssen [tussen 1550 en 1559]; met als bijlagen:
     
    • akten van schenking van diverse goederen ten behoeve van de prebende door Dammaes Zegersz. en diens zusters, 1369 en 1370;
     
    • brief van Jacob van Lockhorst ("uw dijenaer ende neef") aan zijn nicht Johanna van Woudenberch, weduwe van Peter van Winssen, over de begeving van de prebende [15]18.
     
    • akte waarbij Ludolph van Winssen wordt opgenomen in de geestelijke stand, 1550; (deels authentieke afschriften, 6 stukken).
24.    Jacob van Winssen, kanunnik van St. Pieter te Utrecht, geboren ca. 1475 te Woerden, overleden op 2.1.1547 te Utrecht.
    Archief Kapittel van St. Pieter (RAU, Toegang Nr. 20):
     
    Inv.Nr. 139, anno 1492 (1 charter):
    Jacob van Winssen, kanunnik van het kapittel, erkent, dat het kapittel hem voor zijn leven verkocht heeft een huis en hofstede binnen de montade van de kerk, daar Jan van Renesse van Wulven in gewoond heeft, en zulks op voorwaarden en renten, vermeld in de hier ingelaste brief van het kapittel.
     
    Inventaris van het archief van de familie Heereman van Zuijdtwijck 1360 1880. Inv.nr. 1088:
    Akte waarbij deken en kanunniken van het kapittel van St. Pieter te Utrecht Jacobus van Winssen als kanunnik opnemen, gepasseerd voor notaris Ghijsbert Stevensz. van Merlo, 1484 (1 charter in het Latijn).
     
    Vicarien op het altaar van de heilige Drievuldigheid in de Nieuwekerk te Amsterdam, (Inv.nr. 1641):
    Akte van overdracht van het collatierecht van de vicarie door Jacob van Winssen aan zijn broer Gerrit van Winsen, gepasseerd voor notaris Gerardus Bijer, 1507; met akte van bekrachtiging van de overdracht door Frederik van Baden, bisschop van Utrecht, 1507 (2 getransfigeerde charters in het Latijn).
     
    Inv.nr. 1089:
    Octrooi van keizer Karel V voor Jacobus van Winssen om bij testament over zijn leengoederen te mogen beschikken, 1539 (1 charter).
     
    ".... Doen te weten dat ten ootmoedigen bede ende begeerte van heer Jacob van Winsen canonick van Sinte Pieters kercke In onsse stede van Wuijtrecht geboren van Woerden ... ... wettige zone wijlen Pieter van Winsen ende Janna van Woudenberch zijne huisvrouw" etc. etc
     
    Verwijzingen van Cornelis Booth naar zijn eigen delen met transcripties (de nummers geven de inventarisnummers in het Rijks Archief te Utrecht aan):
     
    155-7, fol.197, 197 verso, d.d. 1520:
     Deijlenisse gedaen bij Jacob van Winssen ten behoeve van Loef Verhaer (pruster?):
     "Ick, Willem van Rossum, h[eer] van Zoelen, Reijnauwen, doe cond alle luden dat voor ons ende onse mannen van leen nabescreven gecomen is den eersamen h[eer] Jacob van Winsen, can[onick] S[inte] Peters tUtr[echt] en[de] bekende met sijns voechts hant, daer hij mit recht en[de] oordeel toequam voor hem ende sijnen leenvolger schuldich te wesen vuijt 24 m[ergen] l[and] alse die gelegen sijn int nedersticht va[n] btp.(?) in Vechterebroeck, dat hij van de hoffstede Reijnauwen te leen houdende is, den eers[ame] h[eer] Louff van der Haer ende sijnen nacomelingen, 4 goede goude overlantse keurvorster Rijnse g[uldens], gewichten voor datum sbriefs gemunt, of ander goet paijement der weerden, sjaers erffelicke losrenten, te betalen d'een helfte opten paeschdach nu naestcomende en[de] dander op h[eilige] Victoeren d[ach] daer naest volgende ende soe voorts, jaerlics erffelick, mit sulcke vorwarden, dat h[eer] Jacob van Winsen voors., of sijne nacomelingen, dese voors. 4 goude g[uldens], tot alre tijt alst hem betreft, op enich termijn van betalinge, van h[eer] Loef v[ander] H[aer], of sijne nacomelingen, sullen mogen vrijen en[de] of coopen, elcken pen[ning] met sestien der selve pen[ningen] paijements voors[creven], ende mitte renten, die dan dair of verschenen en[de] onbetaelt waren, welcke vercopinge der renten vuijt die 24 m[ergen] l[and] voors[creven] bijden hier voors[creven] h[eer] Jacob van Winsen, can[onick], aldus gedaen. Ick, Willem van Rossum, als leenheer mit onse hant vertegen, toe laten ende confirmeren ten leenrecht stedicheijt te houden, als dat van rechten wegen behoort, hier waren over ende aen Athonis van Kuijck en[de] Pelgrum van Hoeij, onse mannen van leen van[de] hofstede van Reijnauwen, ende meer 9 luden, allen dink(?) h.arch.(?). In orcond sbriefs besegelt mit onse segel wthangende. Gegeven int jaer o[nses] h[eren] 1520 den woensd[ach] na Maurtii dach."
     
    155-7, fol.61 verso, d.d.1524:
    "Ic, Willem van Rossum h[eer] van Zoelen, Maerscalc, doe cond als mo[m]ber [van] Joffer Anna van Herfft, mijnre huijsf[rouw], dat voor mij en[de] mannen van leen gecomen is h[eer] Jacob van Winssen, met Willem van Quirmont, sijnen gecoren momber en heeft met sijnen  vrije wille overgegeven 24 m[ergen] l[and] gelegen tot Vechten, daer naest gelant sij Beernt VuijtenEnge en[de] Ghijsbert van Hardenbroeck ende daer nae hebbe ic hier mede verlijt Gerrit van Winsen sijnen broeder mit conditen dat hij sal geven bij het aenveerden Peter sij neef ende Joist sij nichte nat[uurlijke] kijnderen h[eer] Jacobs voors. 600 B[rabantssche] g[uldens] ten overstaen van Johan van Malsen ende Jan van der Borch, mannen des gestichts. In orkondt der waerheijt gegeven int jaer o[nses] h[eren] 1524 tsanderen dage na S[inte] Crusis Exaltatie, hetsegel war gebroocken."
     
    "Versocht dese 24 mergen l[and] van Oth van Appeltern als man ende voocht van Joffr[ouw] Cornelia van Hoxwir(?) vr[ouwe] tot Rijnauwen sij huijsf[rouw] en[de] Evert Helmich sijnen stadthouder v[an[ leenen ten overstaen h[eer] Dirck Bor v[an] Amerongen en[de] Gijsbert v[an] Schonenb[urg]. 7(?) . Peter van Winssen na dode Helias sijn broeders, beleent met Bernts wed[uw]e Utenenge, h[eer] Gijsb[erts] d[ochte]r v[an] Hardenbr[oeck], den 25 novemb[er] 1569."
     
    (Voor de laatste paar regels staat in de marge geschreven: "Gerrit van Winssens kinder".)
     
    155-7, fol.104 verso en 105, d.d. 12.3.1547:
    "Ick, Helijas van Winssen, oudste soone ende leenvolger van za[liger] Gerrit van Winssen, mijnen vader, belije en[de] bekenne mids desen voor mij ende mijnen erfgenamen dat ic wettelicken en[de] wel vercocht hebbe vuijt alle mijne goederen Jan van Thiel, Bernt van Thielsz., die hij hadde bij Joostgen sijn wijf, haren Jacob van Winssens nat[uurlijke] dochter en[de] dit voor alsulcke drie hondert car[olus] R[ijnsche] guldens, als h[eer] Jacob Joosgen sijne nat[uurlijke] d[ochte]r voorn[oem]t des voors[creven] Jans moeder tot hooren deel toegevoecht heeft int transporteren van seeckere 24 mergen l[and], gelegen tot Vechten, leengoets welcke h[eer] Jacob van Wijnssen mijnen oom, Gerrit van Winssen mijnen vader zalig[e]r get(?) voor Jonck[er] Willem van Rossum, heere tot Zoelen, overgegeven heeft, vermogens de leenbrief daer aff sijnde in dato XVc XXIIII, achtien goeden goud[en] C[arolus] k(?) gulden tot XX gevalueerde Hollantse st[uvers], den 22 Augusti en[de] den 22 febr[uari], mit vorwarden dat ic, Helijas van Winsen voorn[oem]t en[de] mijnen erfg[enamen] sullen mogen affcopen mette somme van eens drie hondert der selve g[uldens], cum clausulis etiammum consuetis, des voorconden soo hebbe ick Helijas van Winssen voors[creven], desen brief onderteijckent en[de] daer toe ghebeden Willem van Snellenberch, mijnen neve, desen brief over mij te besegelen, want ick op dese tijt selver geen segel en hebbe. Gegeven int iaer o[nses] h[eren] 1547, opten XII dach in meert."
     
    Resumé:
    Jacob van Winssen, kanunnik van St. Pieter te Utrecht, vestigt in 1520 een jaarlijkse erfelijke rente van 4 goudgulden, ten gunste van Loef van der Haer en diens nakomelingen, uit zijn 24 morgen land te Vechten, welke hij in leen houdt van de heer van Rijnauwen. E.e.a. op voorwaarde dat Jacob van Winssen, of diens nakomelingen (toen moet Jacob dus reeds kinderen hebben gehad, anders spreek je van een priester niet van diens nakomelingen), de erfrente mogen afkopen.
     
    [Deze 24 morgen zullen haast zeker zijn de 24 morgen land te Vechten, waarmee Peter van Winssen zijn echtgenote Johanna van Woudenberch in 1474 mee lijftocht.]
     
    In 1524 draagt Jacob van Winssen voornoemde 24 morgen land over aan zin broer Gerrit, waarbij de laatste aan de natuurlijke kinderen van Jacob van Winssen, nl. Peter en Joostje, totaal 600 gulden moet betalen.
     
    Op 12 maart 1547 verkoopt Elias van Winssen, oudste zoon en erfgenaam van zijn (inmiddels overleden) vader Gerrit van Winssen, aan Jan van Tiel, zoon van Bernt van Tiel en Joostge van Winssen, heer Jacob van Winssens natuurlijke dochter, voor de 300 gulden  die zij van Gerrit van Winssen in 1524 als haar deel van de 24 morgen land had gekregen, een rente van 18 gulden, te betalen op 22 augstus en 22 februari, onder voorwaarde dat Elias, of diens erfgenamen, de erfrente kunnen afkopen voor de somma van 300 gulden.
     
    In 1569, na de dood van Elias van Winssen, wordt diens broer Peter van Winssen met de 24 morgen land beleend.
     
25.    Johan van Winssen, overleden voor 1567, tr. Geertruid van Gent, overleden 1591 te Culemborg.
    Inventaris van het archief van de familie Heereman van Zuijdtwijck 1360-1880:
    Stukken betreffende een uiterwaard, ter grootte van 8 morgen, gelegen aan de Lingen, ten oosten van het huis Rumpt, Inv.nr. 2422:
    Kwitantie van Joachim Verhaar voor Wilhelmina van Scherpenzeel, weduwe van Gijsbert Pieck van Tienhoven, wegens betaling van de helft van de erfpacht op het land, 1614; met als retro acte stukken betreffende de eigendom van de erfpacht voor respectievelijk Eustaas van Scherpenzeel, Geertruid van Gent, weduwe van Johan van Winssen en Joachim Verhaar, 1580 1608 (3 getransfigeerde charters).
     
    GAU, Inv.Nr.I 705, fol. 39, 40, d.d. 15.1.1557:
    "Geertruijt Jan van Winsens wedue mit horen gecoren voecht in desen saecke daer In.. Melchior Jacobse van Nijenhuijs ende Adriaen van Rhenen als momboers van hoer comparante kijnderen geprocreert bij sa. Jan van Winsen hoiren man voirscr." (De kinderen worden helaas niet met namen genoemd.)
     
     GAU, Inv.Nr. I 705, fol. 12, 13, d.d. 5.7.1564:
     "Jan Gerritse Lauwer borger dese stadt Utrecht ende verplach belijden ende bekende schuldich te wesen voer hem zelven ende als man ende voecht van Margriet sijn huijsvrouw daer bij Ec...(?) Gertruijt Johan van Winsens weduwe een Jaerlicxe erffrente van zess carolus guldens van XX stuvers tstuck ende vijff stuvers siaers / tot (behoeve?) vande voorscr. Geertruijt mitgaeders Jacoba ende Johan haer kijnderen geprocreer bij Johan van Winssen voorscr."
     
     (GAU, I 704, fol.243/245, d.d. 23.5.1567) Het huis en hofstede, eertijds in bezit van Christina Rijckoud de Wilde dochter, in de Ambachtstraat te Utrecht, wordt door Geertruid, weduwe van Jan van Winsen, mede met hun kinderen Peter, Jacobgen en Jan, getransporteerd aan Marrichgen, weduwe van Claes Thijmansz. De belendingen zijn de godskameren van St. Jan en de Buurkerk en het is belast met negen gulden per jaar losrente, 3 stuivers t.b.v. het kapittel van St.Jan, 1 braspenning en 1 penning t.b.v. St. Pieter.
     
26.     Peter van Winssen, overleden tussen 1581 en 1599, tr. Antonia van de Water, overleden na 1599.
 

27.    Christina van Winssen, nog onmondig in 1599, tr. ca.1604 met Johannes Crellius, medicine docter, overleden te Dordrecht in 1622, tussen 18 juni en 13 december.

    Johannes Crellius verkreeg te Middelburg, als ondermeester aan de Latijnse school, onder het rectoraat van Jac. Cruterus, salaris over 9 maanden, verschenen 6.6.1604. Wellicht is hij dezelfde als zijn naamgenoot (ook Querellius genoemd) van Culemborch, die als opvolger van Philips Lasson op 7.9.1606 werd aangenomen als rector der Latijnse school te Brielle, om 1.1.1607 met zijn familie daarheen te verhuizen.Gelet op de toestand van de school werd op 6.1.1609 zijn ontslag in bedenking gehouden; hij verzocht zelf op 13.5.1609 om zich naar elders te begeven en werd opgevolgd door Fr. Villerius.

    Op 5.6.1610 te Franeker als student ingeschreven: "Johannes Crellius Wittebergensis, medicus Dordracenus, renunciatus medicine docter."
     
    Crellius kwam dus uit Wittenberg. In Wittenberg werd in sept. 1557 ingeschreven als student: "Johannes Krell Brandenburgensis" (Album Academiae Vitebergensis Lipsiae, van Foerstemann, 1841).
     

28.    Anthonetta Crellius, gedoopt okt.1616 te Dordrecht, overleden op 22 01 1699 te Utrecht, tr. 1) Jan Adolfsz./Aelbertsz., overleden 12.3.1632 te Utrecht; tr. 2) 15.3.1635 te Utrecht met Nicolaes Godron, soldaat, laydemakersgesel te Utrecht, overleden op 26.1.1688 te Utrecht.
 

29.    Isaacq Godron, gedoopt op 03.1.1647 te Utrecht, overleden op 7.2. 1738, ondertrouw op 4.4.1670 te Brummen, tr. op 28.4.1670 te Utrecht met Janneken Jans van Tonden, geboren te Brummen, overleden op 3.5.1725 te Utrecht.
 
30.    Nicolaes Godron, corporaal in de compagnie van luitenant colonel Pauw, gedoopt op 26.4.1682 te Utrecht, overleden op 17.2.1751 te Utrecht.

    GAU, I 1389, actenr. 520, aangebracht 22.2.1751:
    De weduwe van Nicolaas Godron, agter de Wal bij de Weerdpoort.
    d.d. 30.4.1751 Is gecompareerd Cornelia Vink, de weduwe, en verklaarde dat haar man geen onmondige kinderen of ergen. heeft nagelaten.
Tr. 28.1.1711 te Utrecht met Cornelia Vink overleden op 15.12.1759 te Utrecht.
    GAU, I 1389, actenr. 1521, aangegeven 17.12.1759:
    De naaste vrienden van Cornelia de Vink, weduwe van Nicolaes Godron, in het Hamsteegje bij de Bakkerbrug van Beijnum d.d. 29.2.1760: verklaarde de Deurwaarder Dirk van de Water dat de naaste vrienden niet te vinden zijn.
31.    Jacobus Godron, gedoopt op 31.3.1720 te Utrecht, overleden op 2.11.1761.
    GAU, I 1389, actenr. 2201, aangebracht 16.11.1761:
    De weduwe van Jacobus Goderon, in de Lange St. Jan straat. 7 onmondige kinderen   Sesselaar: 8.3.1762: Compareerde Helena Boonkens, de weduwe, en stelde tot voogd over Nicolaes, oud 18, Christina 15, Johannes 12, Jacobus 10, Theodorus 7, Helena Anna 4, Wilhelmus Cornelis 1 1/2, haar broeder Hermanus Boomkens, de welke mede Compareerde en verklaarde die voogdije aan te nemen.
Tr. op 13.11.1742 te Utrecht met Helena Boomkens, geboren op 13.4.1718, overleden op 6.3.1807 te Utrecht. Bij de doop van haar oudste kind wordt opgegeven dat zij Rooms was.
    GAU, II 2051, deel I, blz. 356, Manuaal 100ste penning van 1793 te Utrecht:
    Lange Nieuwstraat, oostzijde, Helena Bonke, weduwe Godron, baker, den 16 aug. 1793 is gecompareert de weduwe Godron en heeft gedeclareert niet tot één duizend gulden gegoed te zijn.
32.    Nicolaas Godron, gedoopt op 20.8.1743 te Utrecht.
    GAU, II 2051, deel III, blz. 164, nr. 164, Manuaal 100ste Penning in 1793:
    Smitmeester op de Munt. Zakkedragerssteeg wijk D Turkije. Op 10.8.1793 verklaart Nicolaas Godron niet in de termen van 't placaat te behoren, echter vrijwillig te betalen.
Tr.  op 12.12.1765 te Utrecht met Johanna Maria de Royere, overleden op 26.2.1837 te Utrecht.
    Volgens de overlijdensakte was zij negentig jaren oud geworden en dochter van Jan Elias de Royere en Johanna van Gorcum. Een doop te Utrecht in ca. 1747 is niet gevonden, evenmin als een huwelijk de Royere x van Gorcum. Wel werd een Johanna van Gorcum gevonden, die op 27.12.1711 werd gedoopt als dochter van Clement van Gorcum en Margrieta van Drakenburg. De naam Clement schiet hier direkt in het oog, vanwege de naam Everharda Clementia Godron, mijn voormoeder en dochter van Johanna Maria de Royere. Wel werd in Utrecht op 6.6.1724 het huwelijk voltrokken tussen Jan Elias de Royere en Johanna Gerardina Feijtingh. De familie de Royere is, op een enkele vermelding in het notarieel archief, in Utrecht niet te vinden; zij moeten van elders afkomstig zijn   uit later onderzoek bleken zij o.m. uit Gouda te komen. Uit het Utrechtse notarieel archief blijkt bijvoorbeeld dat Jan Elias de Royere en Johanna Gerardina Feijting (overl. tussen 4.1.1738 en 29.4.1743) een gelijknamige zoon Jan Elias de Royere hadden. Het is mogelijk dat deze gelijknamige zoon inderdaad de vader van Johanna Maria de Royere is en dan gehuwd met Johanna van Gorcum. Het is ook mogelijk, doch minder waarschijnljk, dat Jan Elias de Royere senior tweemaal gehuwd is geweest, de eerste maal met Johanna Gerardina Feijtingh en de tweede maal met Johanna van Gorcum. Daar wordt vooralsnog niet vanuit gegaan.
 
33.    Everharda Clementia Godron, kinderschoolhouderes, gedoopt op 2.5.1784 te Utrecht, overleden op 5.9.1855 te Amsterdam. Tr. Carel Zigeler, korenmeter, geboren te 's Hertogenbosch, overleden te Amsterdam, woonde op 6.5.1813 op de Reguliersgracht bij de Utrechtsedwarsstraat, Amsterdam.
 

34.    Johanna Maria Zigeler, geboren op 6.5.1813 te Amsterdam, overleden op 15.10.1882. Tr. op 10.8.1836 te Amsterdam met Dirk Milet de St. Aubin, geboren op 1.8.1814 te Amsterdam, overleden op 24.4.1897 te Amsterdam.  Woonde in 1882 in de Boomstraat 6. Na de dood van zijn echtgenote verhuisde hij in 1883 naar de gemeente Sloten, alwaar hij in 1890 nog woonde op het adres Overtoom E 11.
 
35.    Carel Everhardus Hendricus Johannes Milet de St. Aubin, suikerbakker (1861), geboren op 8.9.1838 te Amsterdam, overleden op 6.4.1925 te Amsterdam.  Tr. op 16.11.1861 te Amsterdam met Femmijna Puijman, geboren op 15.6.1832 te Amsterdam, overleden op 5.2.1911 te Amsterdam.
 
36.    Carel Everhardus Hendricus Johannes Milet de St. Aubin, gerechtsdeurwaarder te Amsterdam, geboren op 28.5.1865 te Amsterdam, overleden op 27.1.1949 te Arnhem. Tr. 1.5.1886 te Amsterdam met Sophia Frederica Amalia Landweer, geboren op 2.5.1863 te Amsterdam, overleden op 16.9.1931 te Amsterdam.

37.    Ds. Carel Everhardus Hendricus Johannes Milet de St. Aubin, predikant, geboren op 31.1.1887 te Amsterdam, overleden en begraven in 1963 te Deil, tr. op 8.5.1915 te Uccle (België) met Alida Maria Boekhout.

Bronnen:

  • Generatie 19-20:
    • Het nageslacht van Philips van Duivenvoorde, eerste heer van Polanen, door dr A.W.E. Dek, in Ons Voorgeslacht, april 1983.
  • Generatie 21-38:
    • Onderzoek door Ph.J. van Dael.