Genealogie Van Amstel - IJsselstein [1]

I        Wolfgerus, geb. ca. 1075/80, schout van Amstel. Als zodanig vermeld als getuige voor bisschop Burchard  in 1105, waarbij hij in de rij getuigen  der “servientes episcopi” staat vermeld [2]. Mogelijk ook in 1108 als getuige voor bisschop Burchard vermeld [3]. Voorts in 1126 als getuige voor bisschop Godebold vermeld [4]. Voor het laatst vermeld in 1126, als (leke)getuige voor bisschop Godebold [5]. 

Van Spaen is van mening dat Wolfgerus niet al zijn bezittingen als dienstman van de bisschop gehouden zal hebben, maar dat hij ook goederen in eigendom bezat (“hereditas, praedium”) en dat hij daaraan de “villicatio”, meijerplaats of schoutsambt, zal hebben toegevoegd.

Wolfgerus was mogelijk de vader van:

a.             Egbert, volgt II.

b.            Godfried van Amstel, vermeld in 1131 als getuige voor bisschop Andreas, samen met Egbert van Amstel (waaruit overigens niet hun onderlinge familierelatie blijkt).

 

II.            Egbert van Amstel, geb. ca. 1100/05, ministeriaal van de bisschop van Utrecht. Vermeld als getuige voor bisschop Andreas in  1131 [6], nogmaals in 1131 [7]; getuige voor bisschop Hartbert in 1143 [8]. In 1145 als getuige vermeld in de oorkonde waarin koning Koenraad volgens rechterlijke uitspraak de Utrechtse kerk bevestigt in het bezit van het graafschap Oostergo en Westergo [9]. In hetzelfde jaar als getuige vermeld in de oorkonde waarbij koning Koenraad aan de kapittelen van de Dom en Oudmunster het uitsluitende recht schenkt, om bij vacature een nieuwe bisschop te kiezen [10]. Getuige voor het kapittel van St. Pieter in 1147 [11].  In 1156 herstelt  keizer Frederik het kapittel van St. Marie te Utrecht in het bezit van enige tienden en andere goederen, hun door Egbert van Amstel, ministeriaal van St. Maarten, wederrechtelijk ontnomen, nadat Egbert van Amstel tevoren ten overstaan van bisschop Hartbert het recht van het kapittel daarop erkend had en bepaalt verder de grenzen van de wederzijdse landen [12]. Als getuige vermeld in de oorkonde van 1165 waarbij keizer Frederik vergunt, dat door de Nude een waterleiding gegraven zal worden tot afvoer van het water van de Rijn naar zee, en dat een dam, bij Wijk in de Rijn gelegd, zal blijven bestaan, en beveelt de dam te Zwammerdam, door de graaf van Holland ten onrechte daar aangelegd, op te ruimen [13]. In 1169 oorkondt bisschop Godfried, dat hij door de bemoeiingen van aartsbisschop Philips van Keulen met Egbert van Amstel, die in de rijksban gevallen was, verzoend is, en wel op voorwaarde, dat Egbert de goederen die hij zich wederrechtelijk als leenman had roegeëigend en nu teruggegeven heeft, als dienstgoed van het schoutambt (van Amstel) heeft terugontvangen, en dat hij verder afstand heeft gedaan van het Bijlmerbroek en de halve tiend van Weesp, die hij zich eveneens wederrechtelijk had toegeëigend [14]. In 1171 als getuige vermeld als keizer Frederik bisschop Godfried bevestigt in het bezit der door keizer Otto II geschonken goederen [15].  Voor het laatst vermeld in 1172, als getuige voor bisschop Godfried, samen met zijn zoon Hendrik [16].

  Volgens Van Spaen had Egbert reeds ten tijde van bisschop Hartbert een geschil met het kapottel van St. Marie te Utrecht. Egbert, dienstman en ministeriaal van St. Maarten, had onenigheid met het kapittel van St. Marie over het rechtsgebied, de tinsen en tienden van zeker nieuw ontgonnen land, dat  Egbert, hoewel het door bisschop Heribert aan het kapittel was toegewezen, zich toegeëigend had. Keizer Frederik verplichtte Egbert echter in 1156 afstand te doen en bepaalde tevens de grenzen van deze “novalia”. Voorts bracht Egbert nadeel toe aan de kerk van St. Maarten, door zich alle diensten en dienstgelden in Amstel en omliggende gerechten toe te eigenen, terwijl deze eigenlijk de bisschop toekwamen. Hij werd daarvoor in de kerkelijke ban gedaan. Door bemiddeling van Philip, aartsbisschop van Keulen, kwam in 1169 een verzoening tot stand tussen de bisschop en Egbert. Egbert moest afstand doen van alle rechten, die volgens Egbert hem als leenrecht toebehoorden, maar ontving die van de bisschop “in officium villicationis”, als meijer (ambtman), voor zich ,en na zijn dood voor zijn zoon, terug. Tevens droeg Egbert het veen Bijlmerbroek en de halve tiend van Weesp over aan de bisschop.

  Egbert was vader van:

a.            (mogelijk) Gijsbrecht, volgt III.

b.            Hendrik, vermeld in 1172.

 

III.                Gijsbrecht (I) van Amstel, geb. ca. 1140/45,  ministeriaal van de bisschop van Utrecht. Als getuige vermeld voor bisschop Godfried in 1176 [17]; getuige voor Boudewijn, proost van de kerk van St. Marie te Utrecht, in 1176 [18]; getuige voor bisschop Godfried in 1178 (2x) [19]. Voor het laatst vermeld als getuige voor bisschop Boudewijn in 1188 [20].

Van Spaen concludeert uit het feit dat Gijsbrecht vanaf 1176 als getuige in de kerkelijke oorkonden wordt vermeld, dat toen zijn vader reeds overleden zal zijn. De vanaf 1200 vermelde Gijsbrecht zal van een andere generatie zijn geweest, zeer waarschijnlijk de zoon van Gijsbrecht I.

  Waarschijnlijk was hij de vader van de broers:

a.            Gijsbrecht, volgt IV.

b.            Egbert van Amstel,  in 1200 met zijn broers Gijsbrecht en Egidius vermeld als getuige voor bisschop Diederik [21] en in 1213 drie maal samen met zijn broer Gijsbrecht voor de elect Otto en in datzelfde jaar, ook samen met broer Gijsbrecht voor de Domproost Otto.

c.             Egidius van Amstel, in 1200 met zijn broers Gijsbrecht en Egbert vermeld als getuige voor bisschop Diederik.

 

IV.                Gijsbrecht (II) van Amstel, geb. ca. 1170/75, ministeriaal van de bisschop van Utrecht, ridder. Voor het eerst vermeld in 1200, als hij met zijn broers Egbert en Egidius onder de getuigen van bisschop Diederik wordt vermeld. Vermeld als getuige voor het kapittel van St. Jan te Utrecht in 1200 [22]; in 1201 onder de getuigen vermeld  voor de bisschop van Utrecht in het verdrag tussen de graaf van Gelre met de hertog van Lotharingen en de bisschop van Utrecht [23]; getuige voor bisschop Diederik in 1207 [24], 1207-1212 [25], 1209 [26], 1210 [27]; getuige voor de elect Otto in 1212-1215 [28],  drie maal in 1213 (samen met zijn broer Egbert)[29], 1216 (samen met zijn broer Egbert) [30]; getuige voor de Domproost Otto in 1213 (samen met zijn broer Egbert) [31]; getuige voor bisschop Otto, de Domdeken Rembold en Wouter, proost van Oudmunster, in 1216-1220 [32]; getuige voor bisschop Otto in 1217 [33], 1222 [34], 1224 [35], 1225 (samen met zijn broer Egidius) [36], 1227 (samen met broer Egidius) [37], nogmaals in 1227 [38]; getuige in 1220 als Albert van Kuyc oorkondt, dat hij aan bisschop Otto zijn graafschap in Utrecht en andere rechten aldaar heeft verkocht [39]; in 1224 getuige als Hendrik van Amersfoort oorkondt dat hij zekere goederen aan het convent te Mariënweerd heeft verkocht [40]; verklaart in 1224,  ridder zijnde, in tegenwoordigheid van de bisschop, prelaten en ministerialen van de kerk van Utrecht, dat hij zijn vrouw, zonen en erfgenamen afstand heeft laten doen van de goederen in Naardingerland, welke hij bij privilege van de abdis van Elten bezat [41]; in 1225 arbiter voor de bisschop van Utrecht in een geschil tussen Gerard, graaf van Gelre, en bisschop Otto [42]; in 1225 getuige bij een uitspraak door Koenraad, bisschop van Portus, legaat van de paus, in enige geschillen tussen bisschop Otto en graaf Floris (IV) van Holland [43]; in 1226 geeft bisschop Otto aan Gijsbrecht van Amstel de gerechten met toebehoren van Muiden, Weesp en Diemen in erfpacht, nadat Hendrik van Velde afstand van zijn rechten op zijn aandeel daarin had gedaan [44]; in 1226 doet Gijsbrecht afstand van het leenheerschap over Slagmaat, die de gebroeders Gijsbrecht, Frederik en Gerard van Vechte van hem hielden (en die Gijsbrecht in leen hield van de bisschop) en die zij aan het kapittel van St. Jan te Utrecht verkocht hadden [45], de bisschop bevestigt dit en onder de getuigen worden genoemd Gijsbrecht, heer van Amstel, en diens zoon G.; in 1227 ontslaat de rooms-koning Hendrik de graaf van Gelre en Gijsbrecht van Amstel en hun medegevangenen van de beloften, die zij aan Rudolf van Koevorden en diens partijgenoten hadden gedaan, wijl deze waren gebannen [46]; getuige voor bisschop Wilbrand in 1228 [47], 1230 (ridder) [48], draagt in 1231 zijn stenen huis te Utrecht op aan graaf Floris van Holland en ontvangt het weder van hem in leen [49]; getuige voor bisschop Wilbrand in 1231 (ridder)[50],  1232 (ridder) [51] en nogmaals in 1232 [52], 1233 [53]; in 1233 schrijft hij, ridder zijnde, aan de abdis van Rijnsburg, dat hij bereid is de goederen te Boskoop tegen een zekere som aan de abdij af te staan en een gemachtigde benoemd heeft voor de voorlopige overdracht, in afwachting van zijn persoonlijke afstand voor de graaf van Holland [54]; in 1235 komt hij, ridder zijnde, met het kapittel van St. Marie te Utrecht overeen tot afbakening van hun tienden onder Kortenhoef en Dorsseveen [55]; getuige voor de elect Otto in 1238 (2x)[56]. Gijsbrecht II overleed waarschijnlijk tussen 1240 en 1244.

Van Spaen is er van uit gegaan dat de in 1235 vermelde Gijsbrecht van Amstel Gijsbrecht III zou betreffen, aangezien zijn zoon niet meer expliciet genoemd wordt, terwijl je dat wel zou verwachten als beide nog in leven zouden zijn. Echter zijn op 16 dec. 1238 vader en zoon Gijsbrecht van Amstel getuigen voor de elect Otto (OSU, nr. 928). Aangezien de geboortedatum van Gijsbrecht IV ongeveer op ca. 1230/35 ligt (zie ook Van Spaen blz. 63 en 64), zou deze vermelding van een zoon Gijsbrecht, naar alle waarschijnlijkheid, nog niet Gijsbrecht IV kunnen betreffen. Reden waarom ik aanneem dat we hier nog steeds te maken hebben met vader Gijsbrecht II en zoon Gijsbrecht III van Amstel. Voorts is er nog sprake van een Gijsbrecht van Amstel junior onder de getuigen van de elect Otto in 1239 (OSU, nr. 940) en in 1240 (OSU, nr. 955), echter zonder vermelding van de vader. Aangezien de oudste Van Amstels steeds onder de getuigen van de bisschop voorkomen, lijkt het mij niet waarschijnlijk dat we hier te maken hebben met Gijsbrecht van Amstel junior, de zoon van Egidius van Mynden. Aangezien in 1240 Gijsbrecht nog steeds als junior wordt vermeld, zal zijn vader nog in leven zijn geweest, maar waarschijnlijk reeds op zeer hoge leeftijd. In mei 1244 wordt als eerste getuigen onder de ridder, voor de elect Otto, Gijsbrecht van Amstel vermeld, zonder aanduiding van junior (OSU, nr. 1014). Op 23 augustus van dat jaar is hij wederom getuige voor de elect Otto, direkt na de graaf van Holland: Gijsbrecht, heer van Amstel. Naar alle waarschijnlijkheid is Gijsbrecht II van Amstel dus overleden tussen 1240 en 1244.

Doordat de vermeldingen van vader en zoon Gijsbrecht elkaar zeker zullen overlappen is het vaak moeilijk, soms onmogelijk om het juiste generatienummer te onderkennen. Het is dus mogelijk dat in deze genealogie de vermedlingen van de diverse Gijsbrechts niet allemaal bij de juiste generatie vermeld staan.

Volgens Van Spaen bood Gijsbrecht zijn hulp aan aan Aleid, en aan de graaf van Loon. Na de dood, in 1203, van graaf Dirk VII van Holland in rezen er geschillen inzake de opvolging in Holland tussen Ada,de dochter van de overleden graaf, die door haar moeder Aleid van Kleef was uitgehuwelijkt aan Lodewijk, graaf van Loon, en Willem, de broer van de overleden graaf. Gijsbrechts hulp bestond uit het beschermen van vrouw Aleid tegen overvallen door de Kennemers, tijdens de maandelijkse lijkdiensten, die te Egmond gehouden werden. De Kennemers waren over deze hulp zo verbolgen dat zij in 1204, onder leiding van Wouter van Egmond en Albert Banjart een inval deden in Amstelland. Ze staken al plunderend en brandstichtend de dijken door, waardoor de lage landen onder water kwamen te staan. Gijsbrecht, als stichts edelman en in dienst van de bisschop (die de graaf van Loon steunde), ging de Hollandse geschillen eigenlijk niet aan. Kort daarop werd in 1204 de vrede tussen de bisschop en graaf Willem van Holland gesloten, waarbij de Kennemers 500 pond moetsen betalen ten gevolge van hun inval in Amstelland.

Gijsbrecht, en zijn bloedverwanten, bezaten goederen te Boskoop in pandschap van de graaf van Holland. In 1222 gaf deze laatste de abdij van Rijnsburg 100 pond om het voornoemde pandschap van heer Gijsbrecht van Amstel te lossen, terwijl de abdij daarboven nog eens 50 pond aan de zonen van Egbert van Amstel moest uitreiken. Uiteindelijk stemde zijn zoon Gijsbrecht (III) in 1233 in tot inlossing van het pand.

Voorts hield Gijsbrecht, gezamenlijk met heer Hendrik van de Velde, de gerechten Muiden en Diemen, met al haar toebehoren, van het Sticht in erfpacht. Hendrik deed in 1225 afstand van zijn deel, waarop Gijsbrecht de gehele erfpacht verkreeg. (Zijn broer Egidius was getuige bij deze handeling.)

Gijsbrecht was vader van:

a.                Gijsbrecht, volgt V.

 

V.                Gijsbrecht (III) van Amstel, geb. ca. 1200,  heer van Amstel, ministeriaal van de bisschop van Utrecht, ridder. Getuige voor de elect Otto in 1238 [57] (samen met zijn vader), 1239 [58] , 1240 [59], mogelijk  ook in 1241 [60], 1244 (2x) [61]; in 1245 verkoopt Gijsbrecht van Vechten 12 morgen land bij Amelisweerd, welke hij in leen van Gijsbrecht van Amstel en in achterleen van de bisschop houdt, aan de abdij van Oostbroek en hij zal ze de abdij in volle eigendom overdragen zodra het leenverband is opgeheven [62]; belooft in 1247 aan de voogd, de raden en de gemeente van Lubek zijn medewerking om aan hun medeburgers, die in de strijd tegen de rover Markward Culen gewond zijn, hun schade te doen herstellen, en verzoekt daarentegen aan zijn mannen hun kogge te doen teruggeven [63]; in 1247 getuige als de rooms-koning Willem zekere bij Delft gelegen landerijen aan zijn tante Richarda geeft en deze ze vervolgens  aan de Duitse orde schenkt [64]; getuige voor het kapittel van Oudmunster te Utrecht in 1247 [65]; in 1249 getuige voor de echtgenote van Gijsbrecht van Ruwiel[66] en in 1248/49 onder de zegelaars voor Gijsbrecht van Ruwiel [67], zou volgens Greidanus overleden zijn in 1354 (hoe komt’ie daaraan?).

Volgens Van Spaen, zou de G. Miles van Amstel, die in 1233 mede in de aflossing van het pandschap van de goederen te Boskoop bewilligde, mits daarvoor 150 pond ontvangende, Gerard van Amstel betreffen..

Vader van::

a.            Gijsbrecht IV van Amstel, (1252-1299), tr. (NN van der Lede). Volgt VI.a

b.            Willem van Amstel, (1267-1292), proost van St. Jan te Utrecht

c.             Arnold van Amstel, heer van IJsselstein, dood in 1291, tr. Johanna, volgt VI.b

d.            Elisabeth van Amstel, dood in 1293, tr. voor 1287 Herman VI van Woerden (1274-1304)

 

 

VI.a                Gijsbrecht  (IV) van Amstel, geb.c. 1235, heer van Amstel, ridder. Voor het eerst vermeld in 1252, als hij als domicellus, jonkheer, van Amstel, getuige en medezegelaar is van de gebroeders Gijsbrecht en Wouter uten Goye - Van Spaen beschrijft zijn knapenzegel als volgt: “een jongman ten voeten uit, in een lang hemd gekleed, het hoofd, de armen en voeten ontblood, zijn regterhand achter de rug houdende, en op zijn linkerhand zit een vogel, nasst hem staat een hond”[69]; in 1257 doen de graaf van Vlaanderen en de graaf van Gelre uitspraak in een geschil tussen de de stad en de bisschop van Utrecht enerzijds en Floris, voogd van Holland, en Gijsbrecht van Amstel c.s. anderzijds[70]; medezegelaar voor bisschop Hendrik in 1259[71]; in 1261 vermeld als  graaf Dirk van Kleef een verzoening tot stand brengt tussen graaf Otto (II) van Gelre en bisschop Hendrik[72]; verkoopt met zijn broer Willem, proost van St. Jan te Utrecht, een vrije watergang aan de ingezetenen van Kalslagen en Nieuwveen[73]; geeft in 1265 een hoeve lands bij de steenovens onder de muur van de stad Utrecht in bezit van de commandeur en de broeders van het Duitse Huis te Utrecht, behoudens het recht om die hoeve desgewenst tegen uitkering van de helft der vruchten te bezaaien[74]; in 1265 onder de scheidsrechters vermeld (om bestaande of te ontstane geschillen te beslechten) in een oorkonde waarbij graaf Otto (II) van Gelre en bisschop Hendrik een verdrag sluiten van onderlinge bijstand[75]; getuige voor bisschop Hendrik in 1265[76]; geeft in 1267, als heer van Amstel, aan het kapittel ten Dom, vijf Utrechtse ponden jaarlijks uit zijn tins te Diemen tot zoen van en wanbedrijf, door hem en zijn vrienden in de Dom tegen enige Lombarden gepleegd - desverkiezende kan hij hiervoor andere goederen tussen Amerongen en Loenen aanwijzen[77]; getuige voor zijn broer Arnoud in 1267[78], 1275[79], 1288[80]; medezegelaar voor Otto van Amstel in 1268, samen met zijn broers Willem en Arnoud[81]; samen met zijn broer Arnoud getuige voor de elect Jan in 1273[82] , 1277[83]; belooft in 1274, samen met Sweder van Abcoude, broer Arnoud en Herman van Woerden, schout, schepenen, raden en burgers der stad Utrecht in alle zaken met raad en daad bij te staan[84]; verkoopt in 1276, met toestemming van de elect Jan, het patronaatsrecht van de kerken op Texel aan de abt en het convent van St. Maarten in Ludingakerke, waarbij zijn broers Arnoud  en Willem mede getuigen zijn[85]; in 1277, samen met zijn broer Arnoud, getuige voor de elect Jan, wanneer deze verklaart 2000 mark sterling schuldig te zijn aan Jan van Kuyc, voor welk bedrag de elect het slot ter Horst, de tol en de juridictie te Rhenen in pand geeft[86]; in 1278, samen met Jan van Kuyc en  broers Willem en Arnoud, getuige voor de elect Jan, wanneer deze verklaart dat de stad Utrecht zich met hem verzoend heeft en alle verbannen burgers belooft in hun rechten te herstellen, als zij met hun tegenstanders verzoend zijn[87]; verzoent zich in 1285, samen met zijn broers Willem en Arnoud, met de elect Jan en graaf Floris (V) van Holland[88]; verklaart op dezelfde dag, samen met zijn broers, graaf Floris (V) van Holland 2000 ponden Hollands schuldig te stellen en stellen hiervoor borgen[89]; in 1285 belooft graaf Reinoud (I) van Gelre Gijsbrecht, heer van Amstel, en zijn broeders niet te zullen helpen tegen graaf Floris (V) van Holland, wanneer zij het verdrag met de graaf zullen verbeken[90]; in 1288, samen met broer Arnoud, onder de borgen van Herman van Woerden, wanneer deze zich, onder zekere voorwaarden,  verzoent met de elect Jan en graaf Floris (V) van Holland[91]; in 1268 onder de borgen voor Hendrik van de Lek[92] ; in 1270 bericht hij schout en schepenen van Rhenen, dat hij de eigendom van het goed Schoneveld met al zijn toebehoren in de parochie Rhenen aan de commandeur en de broeders van het Duitse Huis bij Utrecht heeft overgedragen[93]; getuige voor de elect Jan in 1272 (2x)[94]; getuige en medezegelaar voor graaf Floris (V) van Holland in 1273[95]; medezegelaar voor de elect Jan in 1273[96]; in 1274 onderwerpt de elect Jan aan graaf Floris (V) van Holland de beslissing in zijn geschillen met heer Gijsbrecht van Amstel, alsmede met de stad Utrecht en het gemene Nederstichtse land[97].

 

  VIb.        Arnold van Amstel, ridder, heer van Benschop, vermeld 1267-1290, overl. 1291, tr. Johanna, vermeld als diens weduwe in 1300.

  In 1277 verkoopt Wouter UtenGoye, knaap, behoudens goedkeuring van de leenheer, Jan van Kuijc, ridder, aan Arnold van Amstel, ridder, het gerecht in Eijteren aan weerszijden van de IJssel met de cijns, het veer en de visserij, op voorwaarde dat heer Arnold de schuld, die Wouter heeft aan Gerard van Vliet uit hoofde van diens huwelijk met Wouter’s zuster, betalen zal, in welke zaak Wouter’s broer Gijsbert arbiter zal zijn[98].

  Kinderen:

a.             Gijsbert, volgt VIIa.

b.            Arnold van Benschop, volgt VIIb.

c.             NN, tr. Arnold van den Berghe. (Waaruit o.m. een dochter Agnes, die tr. Elias van Woudenberg.)

 

VIIa.                Gijsbert van Amstel, ridder, heer van Benschop, vermeld 1290-1342, beleend met IJsselstein, stichtte de stad en de St. Nicolaeskerk ald. in het kerspel Eiteren, overl. tussen 9 mei 1342 en 2 okt. 1343[99], begr. IJsselstein (St. Nicolaeskerk), tr. ca. 1280 Bertha van Heukelom, overl. 25.2.1322, begr.  IJsselstein (St. Nicolaeskerk).

  15.8.1296: Gijsbert van IJsselstein ontzegt, op last van de graaf van Holland,  de heer van Amstel, op voorwaarde dat de graaf hem zal handhaven in het bezit van de goederen die Gijsbert’s vader, heer Arnold van Amstel, van de heer van Amstel in leen hield, ook al verzoent de graaf zich met de medeplichtigen aan de moord op zijn vader[100].

  16.6.1299: Jan, graaf van Holland, geeft heer Wolfert van Borsele, heer van Zandenborch, alle gerecht van Benschop en Polsbroek en het huis te IJsselstein[101].

  21.5.1300: Jan, graaf van Holland, beleent zijn broer, heer Guy van Henegouwen (de latere bisschop van Utrecht), als met een versterfelijk leen, met de bezittingen van Herman van Woerden, Gijsbert van Amstel, Gijsbert van IJsselstein, Arnold van Benschop en van degene, die schuldig waren aan de dood van graaf Floris V, welke goederen gelegen zijn in het Sticht van Utrecht, benevens met Naardingerland, maar niet met Reigersbos in het Amstelland of met de manschap der genoemde goederen[102].

  6.1.1309: Willem, graaf van Holland, beleent op verzoek van Guy, bisschop van Utrecht, Gijsbert van IJsselstein en zijn zoon Arnold met het huis te IJsselstein en het goed dat Gijsbert’s vader, heer Arnold van Amstel, van de graven van Holland in leen hield, met de bepaling dat bij eerder overlijden van Arnold de kinderen van hem en zijn vrouw Maria het zullen erven[103].

  7.1.1309: Akte van bevestiging door Gijsbert van IJsselstein van zijn belening door graaf Willem III met zijn huis te IJsselstein en zijn leengoed ten Gein, in Rijpikkerwaard, Benschop, Polsbroek, Hoenkoop en Blokland[104].

  27.8.1310: Gijsbert van IJsselstein, ridder, beleent Gerard van Voorne, wijlen Lambert Spijkersz., met 1 hoeve land aan de Achtersloot, die te leen werd gehouden van Arnold van Amstel, broer Gijsbert, als met een onversterfelijk leen[105].

  14.10.1310: Guy, bisschop van Utrecht, verleent IJsselstein het recht drie jaarmarkten jaarlijks te houden en belooft de bezoekers bescherming en vrijgeleide[106].

  7.6.1311: Barend van Doornwaard en zijn vrouw Agnes van Meerlo (kleindochter van Jan van Meerlo), verkopen heer Gijsbert van IJsselstein, ridder, hun gerecht met tiende en tijns in Meerlo, zoals Agnes’ voorouders en zij zelve het van het kapittel van Oudmunster hadden, voorts het goed de Wulvenskamp en een halve hoeve land aan de Achtersloot, de oude hofstede Meerlo, gelegen op het oude land van Meerlo in heer Gijsberts gerecht, 2 morgen aldaar bij de Holenkamp, de Uitwegs akker en 1 ˝ morgen aldaar benevens 4 morgen aan de Maarne in het gerecht van Sweder van Montfoort[107]. Zulks wordt op dezelfde dag bevestigt door de proosten van de dom, Oudmunster, St. Marie en St. Jan[108]. Op 10.6.1311 verzoekt Agnes bisschop Guy, Gijsbert van IJsselstein met deze goederen (behalve de goederen in Meerlo)  te belenen[109], wat de bisschop  op 8.7.1311 doet[110]. Voornoemde Agnes van Meerlo geeft op 10.6.1311 al haar goed, gerechten, tijns en tiende in Meerlo in erfpacht aan heer Gijsbert, heer van IJsselstein, zoals haar voorouders en zij zelve het van het kapittel van Oudmunster in erfpacht hadden[111]. Op 14.4.1313 wordt deze laatste verkoop door deken en kapittel van Oudmunster bevestigt[112].

14.8.1311: Gijsbert van IJsselstein, ridder, en Berte, zijn vrouw, wijzen hun kinderen Arnold, Otto, Herberen, Johan, Willem en Agnes hun erfdeel toe[113].

30.4.1312: Willem, heer Everard Jongenzn., beleent heer Gijsbert, heer van IJsselstein, met de Poelwaard, die hij zelf in leen houdt van de heren van Hagestein[114].

21.7.1313: Willem, graaf van Holand, beleent heer Gijsbert van IJsselstein, ridder, en zijn zoon Arnold, met het huis te IJsselstein en met al wat heer Gijsbert’s vader, heer Arnold van Amstel, van de graven van Holland in leen hield, behalve 15 morgen in Hoenkoop, die hij hem in eigendom geeft in ruil voor het land van Jan van Houte aan de gracht van IJsselstein[115].

1.11.1313: Gijsbert, heer van IJsselstein, en Gerrit van den Vliet, ridders, geven aan de buren van Polsbroek een watergang[116].

5.7.1314: Willem, graaf van Holland, beleent heer Gijsbert, heer van IJsselstein, jaarlijks met een hert uit de grafelijke hout te Haarlem[117].

10.7.1314: Guy, bisschop van Utrecht, oorkondt, dat heer Gijsbert, heer van IJsselstein, van hem in leen heeft ontvangen al wat hij in leen placht te houden van zijn oom, heer Gijsbert, heer van Amstel, en vervolgens van het Sticht, nl. gerecht en tienden van Benschop met de kerkgift, 32 morgen land liggende aan de oude hofstede aldaar en gerecht en tienden van Noord Polsbroek[118].

21.1.1316: Gijsbert, heer van IJsselstein, en zijn zoon Arnold, ridder, verklaren Gijsbert van den Bosch 900 pond zwarte tournooizen schuldig te zijn, te betalen uit de opbrengst van de momberschap over Gijsberts nicht Lijsbeth, dochter van wijlen Egbert van den Bosch. Bij kinderloos overlijden van Herberen, zoon van Gijsbert van IJsselstein, of van Lijsbeth, Herberen aanstaande vrouw, voor haar 15de jaar (ze is nu 9), zal Gijsbert van den Bosch dat wat hij meer ontvangen zal hebben van de 900 pond dan Gijsbert van IJsselstein aan rente van het momberschap geiind heeft, terugbetalen[119].

21.3.1318: Willem, graaf van Holland, beleent Gijsbert, heer van IJsselstein, ridder, met het gerecht en de tienden van Benschop, 32 morgen land, hrenzende aan de oude hofstede aldaar, de kerkgift, gerecht en tienden in Polsbroek aan de Noordzijde, het halve gerecht en de halve visserij in Oudburen, afkomstig van de heren van Amstel[120].

2.5.1318: Gijsbert, heer van IJsselstein, ridder, geeft aan Jan van den Zande, wijlen Hubrechtsz., 12 morgen land te Schalkwijk[121].

5.9.1318: Willem, graaf van Holland, beleent Berte, vrouw van Gijsbert, heer van IJsselstein, met de tienden van Benschop en die in Polsbroek, beide aan de Noordzijde, haar door Gijsbert als lijftocht toegewezen[122].

3.7.1319: Deken en kapittel van St. Marie te Utrecht keuren de stichting door heer Gijsbert, heer van IJsselstein, goed, van 3 altaren van het heilige kruis, de heilige maagd en Jan de doper in de kerk van IJsselstein en stemmen erin toe, dat Gijsbert het collatierecht daarover hebben zal, doch behouden zelf het collatierecht van de kerk[123].

7.11.1319: Otto, heer van Kuijc, beleent Gijsbert, heer van IJsselstein, met een vrije heerlijkheid gelegen aan de oevers van de IJssel, zich uitstrekkende aan de ene zijde van Opburen tot Snoedelhoeke, op de andere van den Ouden Gheijne tot Fellenoerde, met alles wat er toe behoort (zoals de visserij en de aanslibbing in de IJssel), zoals Gijsbert’s ouders die van Otto’s ouders als Stichts leen bezaten, terwijl het sticht Utrecht het als rijksleen houdt[124]. Het betreft dus een achterleen van het Sticht. Toen echter Otto van Kuijc dringend om geld verlegen zat, wist  graaf Willem III van Holland van de situatie gebruik te maken. In 1319, of kort daarna, heeft Otto van Kuijc Stichtse leengoederen langs de Hollandse IJssel, in de buurt van Oudegein, aan de graaf van Holland verkocht, waarmee hij eerder Hijsbert van IJsselstein beleend had. Nadat Otto het leen aan de graaf van Holland had verkocht, beleende deze op zijn beurt Gijsbert van IJsselstein ermede[125].

17.10.1321: Akte van toezegging door Gijsbert, heer van IJsselstein, Arnold van IJsselstein, zijn zoon, ridders, Jan van IJsselstein, kanunnik van St. Marie te Utrecht, Willem van IJsselstein, kanunnik ten dom te Utrecht, en Otto en Herbaren van IJsselstein, broers, van bijstand aan graaf Willem III met het huis te IJsselstein en hun andere leengoed van Holland en Amstel[126].

16.2.1322: Otto, heer van Buren, belooft heer Gijsbert van IJsselstein, ridder, schadeloos te houden van zijn borgtocht voor 11.264 pond, die hij schuldig is aan Jan van Halen[127].

26.10.1324: Jan, bisschop van Utrecht, beveelt de heer van IJsselstein, om het hoog gerecht van de heren van Oudmunster in de Achtersloot van zijnentwege uit te oefenen[128].

24.6.1325: Hubert de Schenk, knaap, belooft heer Gijsbert, heer van IJsselstein, schadeloos te houden van zijn borgtocht van 300 pond jaarlijks, die hij zijn leven lang moet betalen aan deken en kapittel van St. Jan te Utrecht[129].

11.5.1326: Margriet, jonkvrouwe van den Goije, vrouw van Hendrik van de Leck, beleent Willem, heer Everard Jongenzn. met de Poelwaard gelegen naast IJsselstein en met 20 morgen land in de waard, gelegen bij Eiteren ovder de IJssel aan de oostzijde, waarna Willem, heer Everard Jongenzn., heer Gijsbert, heer van IJsselstein, met de Poelwaard beleent[130].

25.4.1327: Willem, graaf van Holland, beleent heer Gijsbert, heer van IJsselstein, ridder, met het goed, dat hij van de heer van Kuijc in leen hield[131].

31.7.1327: Jan, bisschop van Utrecht, verklaart dat de heer van IJsselstein en zijn lieden uit gunst en niet van rechtswege de laatste oplage in de Lekdijk bij Schoonhoven hebben helpen maken[132].

30.7.1328: Buren van Benschop oorkonden, dat tal van personen beloofd hebben aan heer Gijsbert, heer van IJsselstein, niet zonder zijn toestemming elder burger te worden[133].

2.3.1330: Gijsbert, heer van IJsselstein, wijst goederen, merendeels in het land van IJsselstein gelegfen, aan, waaruit zijn schuld aan Gelis van Lochorst, bedragende 1.650 pond zwarte tournooisen, en een even grote schuld aan Herman van der Strijpen en Steven Hendriksz. van Bouchout, betaald zullen worden[134].

17.2.1331: Jan, bisschop van Utrecht, geeft de burgers van IJsselstein tolvrijheid voor de sluis te Geijn[135].

5.3.1334: Gerrit van den Vene, burger van Utrecht, verklaart dat Claes de Weldige hem, namens de heer van IJsselstein, een schuld, groot 50 pond tournoois, betaald heeft[136].

18.11.1334: Steven(?) van Bosinchem, knaap, verklaart dat Nicolaes de Weldige, namens de heer van IJsselstein, hem 100 pond tournoois, d.w.z. de helft van diens schuld, betaald heeft[137].

11.3.1335: Heer Jan Vlaminc verklaart, dat Nicolaes de Weldige hem namens de heer van IJsselstein 100 pond betaald heeft ten behoeve van heer Arnold van IJsselstein[138].

1.12.1335: Gerrit van den Vene, burger van Utrecht, verklaart dat Nicolaes de Weldige hem, namens de heer van IJsselstein, 33 en 8 schellingen tournoois betaald heeft[139].

16.12.1335: Jan Meynard heer Wijbrandsz., burger van Utrecht, verklaart dat Nicolaes de Weldige hem, vanwege de heer van IJsselstein, 100 pond tournoois, d.w.z. de helft van diens schuld, betaald heeft[140].

1335: Dirk Lam, burger van ..., verklaart dat heer Gijsbert, heer van IJsselstein, hem zijn scguld betaald heeft[141].

2.4.1336: Jan, bisschop van Utrecht, belooft heer Gijsbert, heer van IJsselstein, de 200 pond zwarte tournooisen, door deze uitgegeven voor het huis ten Oude Geijn, binnen twee maanden na aanmaning te betalen, terwijl bij niet-betaling heer Gijsbert het huis Stoutenburg met het schoutambt van Amersfoort zal behouden, totdat hij betaald is[142]. Op 18.11.1338 instrumenteren de notarissen Jacob van Hole en Hubert Budel, dat Jan, bisschop van Utrecht, het kasteel Stoutenburch en het schoutambt en baljuwschap van Amersfoort en Eemland verpand heeft aan heer Arnold van IJsselstein voor 4.000 pond zwarte tournooisen[143].

6.4.1336: Wouter van Voorschoten verklaart dat Nicolaes de Weldige hem namens de heer van IJsselsteijn 40 pond tournoois betaald heeft[144].

14.5.1336: Priorin en convent van Vrouwenclooster verklaren dat heer Gijsbert, heer van IJsselstein, haar onverplicht aarde voor haar dijk bij de IJsseldam verstrekt heeft, zonder hiermee een antecedent te haren gunste te hebben geschapen[145].

22.1.1337: Hendrik van (den) Rijn, knaap, belooft heer Gijsbert, heer van IJsselstein, schadeloos te houden van zijn borgtocht voor 216 pond zwarte tournooisen, die hij schuldig is aan jonkvrouw Fouse, dochter van Johan van den Vene[146].

8.3.1337: Dirk Cortehose, burger van Utrecht, verklaart dat Nicolaes de Weldige hem 42 pond, 14 schellingen tournoois heeft betaald in mindering van de schuld, die heer Gijsbert, heer van IJsselstein, heeft aan Wouter van Voorschoten, zwager van Dirk, en aan hemzelf[147].

12.8.1337: Jan van Henegouwen beleent Hildegond Brandsdochter van den Vene, op verzoek van heer Gijsbert, heer van IJsselstein, met 12 en 4 en een halve morgen land in Benschop, nu door Gijsbert in leen gehouden, te erven door de oudste zoon of dochter van Gijsbert en Hildegonde[148]

15.8.1338:Gijsbert, heer van IJsselstein, Arnold, en Otte, zijn zoons, ridders, Sweder, heer van Abcoude, Gijsbert, ridder, en Jan, knaap, zijn zoons, verbinden zich tot onderlingesteun en nemen tot scheidsrechters bij eventuele geschillen Jan van Broechusen en Herman van der Strijp en als opperscheidsman de heer van Arkel, terwijl zij overeenkomen niets te ondernemen tegen de graaf van Holland, die van Gelre, heer Jan van Beaumont of de heer van Arkel, maar wel zo nodig tegen de bisschop van Utrecht[149].

23.6.1339: Agnes, jonkvrouwe van Woudenberg, oorkondt, dat haar oom, de heer van IJsselstein, op haar verzoek aan haar neef, heer Herbaren van Riede, ridder, 3 brieven gegeven heeft, en die op haar verzoek te Jaarsveld in ontvangst genomen heeft, betreffende haar lijftocht, inhoudende:

brief 1:  van de graaf van Kleef betreffende haar lijftocht uit al het goed van Woudenberg

brief 2:  van de graaf van Kleef dat hij na opdracht door Elias van Woudenberg(Agnes’ echtgenoor), Jan van Woudenberg (Elias en Agnes’ zoon)  met het goed te Woudenberg heeft beleend, behoudens lijtocht van Elias en Agnes zelf

broef 3: van de heer van Abcoude betreffende haar lijftocht aan het goed Overlaar[150].

5.1.1340: Wouter van Voorschoten Gerardsz., burger te Utrecht, scheldt heer Gijsbert, heer van IJsselstein, alles kwijt wat deze hem schuldig was[151]

2.11.1340: Otte van IJsselstein, ridder, belooft Hildegond Brands dochter van den Vene en haar eventuele kinderen bij zijn vader, de heer van IJsselstein, te helpen handhaven in het bezit van de 12 en 4 ˝ morgen land in Benschop, haar gegeven door heer Jan van Henegouwen, heer van Bijamond, waar Otte en zijn kinderen de nahand aan hebben[152].

17.3.1341: Simon van der Soevendaer (Zevender?), ridder, baljuw van (Schoonhoven?) en van der Goude, belooft heer Gijsbert, heer van IJsselstein, schadeloos te zullen houden voor schade, die hem mag aankomen door zijn overlevering op ‘s baljuws verzoek aan jonkvrouwe Elsbe, Boekel’s zuster, van het huis van Boekel, hem in bewaring gegeven door heer Jan van Henegouwen, heer van Beaumont, totdat deze voldaan zou zijn van de schuld, die Boekel aan hem had[153].

9.5.1342: Gijsbert, heer van IJsselstein, en zijn zoon Arnold, ridders, stichten een klooster van de Cisterciënser orde voor een abt en 12 monniken bij de kapel van Eiteren, stellen het onder de abt van Ebracum in het bisdom Herbipolis als visitator en begiftigen het met de inkomsten van 3 altaren nl. dat van heer Nicolaaes Walter Reimboldsz., dat van heer Godfried Konink van Amersfoort en dat van Gerard Hogeminne, zodra deze altaren komen te vaceren, en voorts met 7 morgen in Opburen, 2 hoeven in Ankermarken in Salland bij de stad Zwolle en 2/3 van de giften van de pelgrims en andere gelovige bezoekers, terwijl bij verplaatsing van het klooster, alle bezit zowel roerend, als onroerend, aan de heer van IJsselstein vervalt[154].

9.8.1342: Broeder Albertus, abt van het Cisterciënser klooster te Ebracum in het bisdom Herbipolis, belooft, op last van Reinald, abt van Morimundus, een abt en 8 monniken aan te stellen in het klooster, dat tussen nu en Omnium Sanctorum a.s. gesticht zal worden te Eiteren bij de kapel, waarvoor heer Gijsbert, heer van IJsselstein, en zijn zoon heer Arnold de grond gegeven hebben, op voorwaarde dat het klooster slechts met toestemming van de heer bezit binnen diens heerlijkheid kan verwerven en in geval van verplaatsing deze de beschikking over het gebouw en alle goederen krijgt[155].

1342: Broeder Johannes, abt van Cystercium, en het generaal-kapittel geeft allen, die het door Gijsbert van IJsselstein, ridder, zijn vrouw Berta, zijn oudste zoon Arnold, ridder, en diens vrouw Maria te stichten klooster te Eiteren zullen begunstigen, fraterniteit en deelname aan de goede werken der orde[156].

7.5.1343: Paus Clemens bevetsigt op verzoek van heer Gijsbert, heer van IJsselstein, zijn oudste zoon Arnold en diens vrouw Maria, de stichting van het Cisterciënser klooster te Eiteren en al wat zij, de abt van het Cisterciënser klooster in het bisdom Cabilo en het generaal-kapittel hebben ingesteld, niettegenstaande er bij de stichting en de incorporatie geen toestemming was verleend door de bisschop en het kapittel ten Dom te Utrecht en de gift van de inkomsten der drie altaren aan het klooster uitgezonderd[157].

2.10.1343: Otte van IJsselstein, ridder, Nicolaes die Weldige, Willem Haeskinensz., Johan Bloc en Willem Nicolaes Weldigensz., knapen, oorkonden dat Hildegond Brands dochter van den Vene aan heer Arnold, heer van IJsselstein, beloofd heeft om geen geld of goed uit diens land te vervreemden, noch zelf het land te verlaten of buiten zijn toestemming te huwen en opgave te doen van haar bezittingen binnen- en buitenslands[158].

Kinderen:

a.            Arnold,volgt VIIIa.

b.            Otto, volgt VIIIb.

c.            Herberen, volgt VIIIc.

d.            Jan, kanunnik te Utrecht, thesaurier van St. Marie te Utrecht.

 

            28.6.1347: Jan van IJsselstein, tresorier van Onze Vrouwe te Utrecht, kanunnik te Deventer, verklaart voor schout en schepenen van IJsselstein aan heer Arnold, heer van IJsselstein, zijn broer, afgestaan te hebben, wat hij van zijn ouders geërfd heeft, behalve de Klinkhoeve, waarmee hij door deze beleend is[159].

 

                25.11.1365: Jan, bisschop van Ludic, belooft zijn neef Jan van IJsselstein, kanunnik en koster van St. Marie te Utrecht, wegens zijn ouderdom en hulpbehoevendheid en de intrigues van zijn gewezen kapelaan, heer Gerrit de Witte, te helpen em hem 700 pond jaarlijks te geven in ruil voor de inkomsten en goederen van de kosterij en in het bijzonder voor de pacht van de tienden te Erimchem, verschuldigd door Alard van Buren of zijn moeder[160].

e.             Willem, kanunnik te Utrecht, scholaster ten Dom te Utrecht.

 

            18.10.1343: Willem van IJsselstein, scholaster ten Dom te Utrecht, verklaart aan heer Arnold, heer van IJsselstein, zijn broer, verkocht te hebben, alwat hij van zijn ouders heeft geërfd.

                28.10.1343: Willem van IJsselstein, scholaster ten Dom te Utrecht, en Agnes van Montfoort, doen ten behoeve van hun broer Arnold, heer van IJsselstein, afstand van alwat zij van hun ouders geërfd hebben[161]

                18.1.1344: Willem van IJsselstein, scholaster ten Dom te Utrecht, verklaart van zijn broer Arnold, heer van IJsselstein, 200 pon zwarten tournoois te hebben ontvangen, als koopsom voor de door hem verkochte erfenis[162].

 

f.             Agnes, tr. Hendrik II, heer van Montfoort, overl. ca. 1333.

            20.6.1335: Agnes van IJsselstein, jonkvrouwe van Montfoort, verklaart door haar vader, de heer van IJsselstein, voldaan te zijn met de penning 10 voor de “nederste” hoeve land, gelegen aan het Hofland in Benschop, haar als bedelgave toegewezen[163].

 

 

VIIb.       Arnold van Benschop, tr. .............

Ouders van:

a.                Lijsebeth, tr. Steven van Almelo.

 

            22.6.1310: Elisabeth, dochter van wijlen Arnold van Benschop, doet, met haar man Steven van Almelo, afstand van haar vaderlijk erfdeel in Benschop  en Polsbroek, maar niet van wat haar oom, heer Gijsbert van IJsselstein, haar als eigendom heeft toegewezen en gelaten[164]

                18.11.1319: Lijsebeth, dochter van Arnold heer Arnoldsz. van Amstel, doet afstand van de goederen, haar door haar vader nagelaten, ten behoeve van haar oom, heer Gijsbert, heer van IJsselstein[165].

 

VIIIa.      Arnold van IJsselstein, heer van IJsselstein, overl. 1363, tussen 12 febr. en 5 april, tr. voor 26.7.1310 Maria, bastaard van Henegouwen, dr. van bisschop Guy van Avesnes.

26.7.1310: Willem, graaf van Holland, geeft zijn nicht Maria, vrouw van Arnold van IJsselstein, als huwelijksgift in leen de goederen die Hendrik van Harmelen toebehoorden, nl. te Upburen op het Oudeland 62 morgen land met het halve gerecht van Upburen, de helft van het gerecht en de tienden van Haanwijk en Bijleveld en de tienden in Brooidijk en Geernaarscop, 32 morgen op Brooidijksveld, 24 op bijleveld, 36 op Bredeveld en verder alles wat hij in het Sticht en in Holland bezeten mag hebben[166].

20.8.1314: Willem, graaf van Holland, beleent Marie, vrouw van Arnold van IJsselstein, met de verbeurde bezittingen van Jan van Kamerik, gelegen in het land van Woerden, bij kinderloos overlijden van haar ye versterven op haar zuster Alijd, vrouw van Otto van Heukelom[167].

28.11.1316: Guy, bisschop van Utrecht, beleent zijn dochter Marie, vrouw van Arnold van IJsselstein, ridder, met de goederen, die wijlen Egbert van den Bosch van de heren van Amstel hield, als leen van hem, Guy, en de heren van Amstel, bij kinderloos overlijden te versterven op haar zuster Alijd, vrouw van Otto Ottensz., van Asperen, met welk goed de beide zusters gezamenlijk Lijsabeth, zuster van Egbert, belenen[168].

17.12.1317: Jan, heer van Amstel, knaap, geeft aan heer Arnold van IJsselstein, ridder, samen met zijn vader, de heer van IJsselstein, het goed, dat deze van hem in leen houdt, nl. het gerecht en tienden van Benschop en Polsbroek en al wat heer Arnold van Amstel in leen hield van Jan’s vader[169].

30.5.1321: Schepenen van Oudewater oorkonden dat Hendrik Dapper beloofd heeft heer Arnold van IJsselstein, ridder, en zijn vrouw Marie, elk jaar 6 pond erfpacht te betalen voor de hoeve in Hedekendorp[170].

5.2.1323: Hendrik van Harmelen Hendriksz. en zijn broer Wouter verzoenen zich met heer Gijsbert, heer van IJsselstein, zijn zoon heer Arnold en verdere kinderen, waarbij zij ten behoeve van heer Arnold afstand doen van alle gerecht, land en visserij tussen IJsselstein en de Dam, het gerecht en tienden op Bijleveld, Brooidijksveld en in Gerverscop in het kerspel Harmelen en het goed, dat de leenmannen van hun vader aan heer Arnold verzocht hebben, alles, uitgezonderd hetgeen deze aan Alfer Hubrechtsz. in leen heeft gegeven[171]. Op 1 augustus van datzelfde jaar doet Hendrik van Harmelen, knaap, afstand van aanspraken op zijns vaders goed, dat de graaf van Holland aan heer Arnold van IJsselstein en zijn vrouw Marie heeft geschonken, in ruil waarvoor hij door hen erfelijk beleend wordt met een hoeve land, groot 24 morgen op Bijleveld, 40 morgen in Bredeveld en 3 morgen in Willem’s Gotenland, alle in Harmelen, terwijl hij belooft zijn zuster Margriet, vrouw van Willem Woenzel, hiervan een kwart te geven als boete voor wanverzoek van goederen, die hij van zijn vader hield[172].

2.11.1328: Elias van Woudenberg, knaap, geeft aan heer Arnold van IJsselstein, ridder, mede uit naam van zijn vrouw Agnes, het goed Emelaar[173]. Op 30 november van datzelfde jaar wordt dit mede bevestigt door de andere kinderen van heer Jan van Woudenberg, de (half)broers van Elias voornoemd, nl.: Wouter, Hendrik, Philip en Jan van Woudenberg[174].

12.11.1328: Jan, bisschop van Utrecht, beleent heer Arnold van IJsselstein, ridder, met een erf aan de Geijn, afkomstig van Gelis, heer Hendriksz. van den Geijn[175].

3.2.1331: Het kapittel van St. Jan te Utrecht geeft aan Arnold van IJsselstein, ridder, en zijn vrouw Maria, voor hun leven een huis met erf, gelegen binnen de immuniteit bij de campus St. Jan, op voorwaarde, dat bij de dood van een van hen de ander jaarlijks 4 pond zwarte tournooizen uit het huis zal betalen voor het houden van een memorie, terwijl na de dood van beiden het kapittel de beschikking over het huis krijgt en de totale opbrengst ervan zal besteden voor een jaarlijkse memorie voor beiden[176].

21.4.1332: Wouter Gerrit Simonsz. van der Goude, knaap, belooft heer Arnold van IJsselstein, ridder, schadeloos te houden van zijn borchtocht voor 100 pond zwarte tournooizen, verschuldigd aan Gijsbert Faliën, burger te Amersfoort[177].

15.12.1333: Mechteld, vrouwe van Woudenberch, en Maria van IJsselstein, doen uitspraak betreffende een schuld, groot 30 pond zwarte tournooizen, die Jan van Wijc heeft aan heer Arnold van IJsselstein, in die zin, dat Jan van Wijc voor 30 pond een stuk land zal kopen, dat hij van heer Arnold in leen zal houden[178].

11.1.1334: schout en “gemene malen” van Wede en Emminclaar, oorkonden dat Hendrik van Wede en zijn vrouw Geertruid aan heer Arnold van IJsselstein hebben gegeven 2 hoeven te Wede, behoudens verscheidene losrenten daaruit[179]

12.8.1334: Jan, bisschop van Utrecht, beleent heer Arnold van IJsselstein, ridder, met 5 morgen land in de Does in het kerspel van Werconde, hem opgedragen door Elias van Werconden de Oude[180].

23.10.1334: Jan, bisschop van Utrecht, verklaart dat met zijn toestemming, zijn dienstmannen te Leusden een hoeve wild land tussen Badenvoorde en de Treek aan de beek hebben getransporteerd aan heer Arnold van IJsselstein, ridder[181].

16.9.1336: Jan, bisschop van Utrecht, beleent heer Arnold van IJsselstein, ridder, met 3 hoeven land in het gerecht van Rijsenburch, tussen Wolfsgrave en Oostbroek, hem opgedragen door Jan van Rijsenburch, knaap[182]. Op zijn beurt, beleent een dag later Arnold van IJsselstein, ridder, zijn neef Jan van Rijsenburch, met hetzelfde goed[183].

26.5.1337: Hubert van Budel, pastoor van de Buurkerk te Utrecht, verklaart van heer Arnold van IJsselstein, ridder, 28 pond zwarte tournooisen ontvangen te hebben, in mindering van de 500 pond, door Arnold aan de bisschop verschuldigd[184].

29.11.1339: Jan, bisschop van Utrecht, oorkondt dat Rijcout Everardsz. van den Bosch en Arnold Willemsz. van den Bosch aan heer Arnold van IJsselstein, ridder, het goed ten Bossch, gelegen in de maalschap van Emminclaer, verkocht hebben[185].

14.1.1340: Gijsbert van Winninglaar en Gijsbert Loedene Gijsensz. schelden heer Arnold van IJsselstein, ridder, en zijn borgen, 36 ponden zwarte tournooizen kwijt in mindering van 100 pond en de resterende 64 pond ingeval van panding binnen zekere termijn van 28 pond groten tournoois op hun borgen, Wilger Zoetensz., Pouwels van den Zande en Gerrit Bierdranker[186].

6.2.1340: Voor schout en buren van Stoutenburch, beloven Rijcout Gerrit Kelaarsz. en zijn moedere Wonne heer Arnold van IJsselstein, ridder, binnen het jaar het goed te Middelaar op te dragen voor het hof, waaraan het cijnsplichtig is[187]. Zulks gebuert nog diezelfde dag, behoudens het recht van Jan Scilaart op genoemd goed[188].

10.3.1340: In opdracht van Zweder, heer van Abcoude, beleent Jan, bisschop van Utrecht, heer Arnold van IJsselstein, ridder, met het halve gerecht en de halve cijns van Jutphaes, gelegen tussen de Rijn en de Maarnedijk[189].

24.5.1340: Jan, bisschop van Utrecht, verklaart de rekening van heer Arnold van IJsselstein van het schoutambt van Amersfoort en Eemland sinds november 1338 afgehoord te hebben en hem, na aftrek van 600 pond als bote voor de ddodslag van Otte van Kattenbroek, 1.265 pond 10 schelling en 8 penningen zwarte tournooizen schuldig te zijn, behalve de 4.000 pond, die hij hem reeds schuldig was[190]

15.6.1340: Deken en kapittel van de kerk te Amersfoort geven heer Arnold van IJsselstein hun grote en smalle tienden in de Duijst in erfpacht[191].

13.12.1340: Jan, heer van Arkel, optredende namens de graaf van Holland, als voogd en momber van het Sticht, verklaart ontvangen te hebben van heer Arnold van IJsselstein de brieven de dato 2.4.1336, 18.11.1338 en 24.5.1340, hierin opgenomen, na aflossing van de pandschap van het huis Stoutenburg met het schoutambt van Amersfoort en Eemland[192].

6.3.1342: Hadewich, dochter van Willem heer Evertsz., vrouw van Hendrik de Wolf, oorkondt dat zij aan heer Arnold van IJsselstein, ridder, en zijn vrouw Marie, verkocht heeft al het goed dat zij van de laatste in leen hield en dat haar door haar vader vermaakt was [193]. Die zelfde dag nog draagt Hadewich het goed op aan Marie van IJsselstein[194]. Zulks wordt ook nog, op de zelfde datum, door schepenen van IJsselstein bevestigt[195].

25.4.1342: Schout en schepenen van IJsselstein oorkonden dat Gerrit Weigergang de heer van IJsselstein beloofd heeft, om in geen andere stad ter wereld burger te worden[196].

4.6.1342: Arnold van IJsselstein en schepenen van IJsselstein, oorkonden dat Arnold Holle en zijn broer Bruijnis, kinderen van Willem Cochollen, een einde hebben gemaakt aan de oorvede, die zij de heer van IJsselstein hebben gedaan naar aanleiding van de dood van hun vader[197].

20.3.1343: Hendrik van Harmelen en Nicolaes de Weldige oorkonden dat Willem heer Everard Jongenzn. zijn dochter, jonkvrouwe Hadewich, vrouw van Hendrik Wolf, als huwelijksgift 3 viertel land in de Hoge Biesen heeft gegeven, waarna vrouwe Marie, vrouw van Arnold van IJsselstein, haar daarmee beleend heeft[198].

13.10.1343: Enige edelen doen, vanwege de graaf van Holland, uitspraak tussen Arnold van IJsselstein en Ermgard, weduwe van Jacob Nanningsz., en haar kinderen, in die zin, dat heer Arnold 71 pond tournoois aan de weduwe en een hengst aan haar zoon Jacob zal geven[199]

23.1.1344: Schout en schepenen van IJsselstein oorkonden dat heer Arnold, heer van IJsselstein, de goederen van Hildegond, dochter van Brand van den Vene, bij schepenvonnis aan hem vervallen verklaard, heeft opgeëist[200].

12.3.1344: Schout en schepenen van der Eem oorkonden dat Ermgard, weduwe van Jacob Nanningsz. en haar schoonzoon Lamber Zalme heer Arnold, heer van IJsselstein, 71 pond hebben kwijtgescholden, die de grafelijke raad in Holland aan Ermgard had toegezegd, op voorwaarde dat heer Arnold het geld aan Jan, zoon van Peter Mouwerkin en Claes, zoon van Jacob Nanningsz., betaalt[201].

22.4.1344: Willem, graaf van Holland, beleent heer Arnold, heer van IJsselstein, met de burcht van IJsselstein en het goed dat heer Arnold van Amstel van de grafelijkheid van Holland hield, uitgezonderd 15 morgen land in Hoenkoop, voorts met het gerecht en de tienden in Benschop en in Noord-Polsbroek, met het halve gerecht en de visserij in Oudburen, de hoge en lage heerlijkheid van het land op de ene IJsseloever van Opbiren tot Sneudelhoek en op de andere van de Oude Geijn tot Fellenoord en in de IJssel, zoals heer Gijsbert, heer van IJsselstein, deze goederen hield[202].

14.8.1344: Schout en schepenen in de proosdij van St. Peter te Utrecht oorkonden dar Dirk Fekerdey 3 morgen aldaar aan heer Arnold van IJsselstein heeft overgedragen[203].

11.9.1344: Akte van bevestiging door Arnold, heer van IJsselstein, van zijn belening door graaf Willem IV van Holland met zijn leengoed[204].

15.9.1344: Schout en landgenoten van Benschop oorkonden dat Roelof Spijker Willem Spijkersz. na vonnis 4 morgen land in Benschop aan heer Arnold, heer van IJsselstein, heeft overgedragen[205].

16.12.1344: Arnold, heer van IJsselstein, en zijn vrouw Marie, geven hun dochter Catharine 2 hoeven land in Benschop, geheten het Hofland, 11 morgen aan de zuidzijde aldaar en 6 waarden in de IJssel, waarvan één op de noordzijde van de IJssel naast de Klinkhoeve, één, geheten de Ganzekamp en é grenzende aan het Hofland, alles als erfleen, losbaar binnen 2 jaar[206].

2.1.1345: Marie, vrouwe van IJsselstein, beleent Aleid, vrouw van Gijsbert Godschalks, met 5 morgen 2 hond land en met 3 ˝  morgen, beide op het Oudeland beneden Eiteren, behoudens lijftocht uit de 3 ˝ morgen voor Ave Spijker Lamsz.[207].

5.6.1345: Hendrik van Amstel, kanunnik van Onzer Vrouwen te Maastricht, verklaart van zijn neef heer Arnold, heer van IJsselstein, ontvangen te hebben 6 brieven, afkomstig van Willem Ottensz, nl:

1)            een rentebrief van 30 pond jaarlijks uit de tol te Huesen

2)            de uitspraak, gedaan door de heer van Kuijc, tussen Jan van Amstel en Arnold van Waly en Teunis van Bininchen

3)            een brief betreffende 94 morgen meent te Dreumel

4)            een brief betreffende 80 pond uit het land te Dreumel

5)            een vidimus van de tweede brief

6)            een pandbrief van 50 pond voor de heer van Amstel ten laste van heer Herman van den Velde[208].

 

11.5.1346: Margaretha, keizerin van Rome, gravin van Holland, beleent Arnold, heer van IJsselstein, met de burcht van IJsselstein, de stad en al wat heer Arnold van Amstel, zijn grootvader, van haar voorvaders in leen hield, uitgezonderd 15 morgen in Hoenkoop, voorts met het gerecht en de tienden in Benschop en in Noord-Polsbroek, het hoog gerecht van het land, zich uitstrekkende op de ene IJsseloever van Opburen tot Snoedelhoek en op de andere van de Oude Geijn tot Fellenoorde en in de IJssel[209].

26.8.1346: Margaretha, keizerin van Rome, gravin van Holland, bepaalt ten gunste van Maria, vrouwe van IJsselstein, dat de heerlijkheden en goederen, die de heer van IJsselstein, haar man, en zij, van de grafelijkheid houden, niet zullen versterven, zolang een wettig kind van haar leeft[210].

1.9.1346: Jan, bisschop van Utrecht, belooft Arnold, heer van IJsselstein, dat hij hem niet zal hinderen in het bezit van de goederen, die deze in leen heeft van de grafelijkheid van Holland, maar hem, wanneer de bisschop die goederen van Holland zou krijgen, belenen zal met slot en stad van IJsselstein en de rechten op de IJssel, voorts met wat er aan beide zijden van de IJssel ligt in het kerspel van IJsselstein, zoals heer Arnold’s voorouders dat hielden van de heer van Kuijc en deze van het Sticht, voordat hij ze aan de grafelijkheid van Holland verkocht, en verder met gerecht, tienden, kerkgift en 32 morgen land in Benschop en gerecht en tienden van Polsbroek op de noordzijde, zoals zijn voorouders die goederen hielden van het Sticht voordat ze, na de dood van bisschop Guy, aan de grafelijkheid kwamen[211].

2.9.1346: Aleid, vrouwe van Asperen ener-, en Gerrit van Asperen, ridder, anderzijds, beloven dat zij zich houden zullen aan de afspraak tussen hen gedaan betreffende de voogdij over de kinderen van wijlen Otto, heer van Asperen en Hagestein, door heer Arnold, heer van IJsselstein, heer Gerrit van (Heem?)stede, ridders, en IJsebout Diederiksz., klerk[212].

3.12.1346: Arnold, heer van IJsselstein, en zijn vrouw Marie, geven de priesters van de kerk te IJsselstein verscheidene voorschriften betreffende de kerkdienst[213].

5.12.1346: Willem, hertog van Beieren, verbeider van Henegouwen en Holland, staat heer Arnold, heer van IJsselstein, toe, dat hij als burgers van IJsselstein mag opnemen diegenen, die uit Utrecht zijn verdreven, op voorwaarde van de eed van trouw aan de grafelijkheid en de heer van IJsselstein[214].

13.1.1347: Gijsbert van den Bosch, knaap, erkent door zijn oom, heer Arnold, heer van IJsselstein, uit gratie en niet rechtens beleend te zijn met 16 morgen land in den Broek achter Vreeswijk, 8 morgen in de Wierse, 6 morgen aldaar en 22 morgen bij de Nieuwe Dam, behoudens lijftocht, bestaande uit de gehele opbrengst van dit goed, voor Arnold[215].

3.2.1347: Willem, hertog van Beieren, verbeider van Henegouwen en Holland, bevestigt de brieven die heer Arnold, heer van IJsselstein, heeft van de graven van Holland en van zijn moeder, de keizerin van Rome[216].

18.4.1347: Arnold, heer van IJsselstein, machtigt Hubert Wolf de Oude, om het land in Velderbroek tussen de wetering en de Eem, dat Steven van Bouchout in leen placht te hebben, in vrije eigendom te transporteren[217].

29.10.1347: Willem, hertog van Beieren, verbeider van Henegouwen en Holland, belooft heer Arnold, heer van IJsselstein, ter beloning van zijn trouw in de Utrechtse oorlog, te zullen helpen tegen zijn vijanden[218].

21.12.1347: Jan Simonsz. van Byzanten belooft heer Arnold, heer van IJsselstein, de hofstede Byzanten, gelegen in de stad Dordrecht, te zullen geven om haar als onverstrefelijk leen terug te ontvangen en voor het geval dat de stad Dordrecht dit niet goedkeurt, een halve hoeve land in het land van IJsselstein te zullen kopen om daarmee beleend te worden, terwijl beide zich verbinden, niets te ondernemen tegen de graaf van Holland, heer Willem van Duivenvoorden, heer van Oosterhout, en heer Jan van Polanen, heer van de Lek[219].

25.1.1348: Kerkmeesters van IJsselstein verkopen met toestemming van heer Arnold, heer van IJsselstein, aan Willem Molneven van Tule, het stuk land, waar de meidoorn op staat tussen zijn huis naast het kerkhof en de Cogghensloot[220].

28.1.1348: Arnold, heer van IJsselstein, geeft een keur aan het land van IJsselstein[221].

2.3.1348: Arnold, heer van IJsselstein, geeft aan de priesters van de kerk van IJsselstein een rente, groot 8 pond zwarte tournooizen jaarlijks, gevestigd op 4 morgen land in Benschop, tot het houden van een wekelijkse gezonden memorie na zijn  dood volgens inhoud van het testament van wijlen zijn vrouw[222].

5.5.1348: Richter en schepenen van Rhenen oorkonden dat Albert van Rhenen 9 morgen land in Velderbroek, tussen de Wetering en de Emede, in vrije eigendom heeft opgedragen aan heer Arnold van IJsselstein, zoals Hubert Wolf die aan Albert van Rhenen had opgedragen met toestemming van Arnold van IJsselstein[223].

18.7.1348: Arnold, heer van IJsselstein, beleent, op bevel van hertog Willem van Beieren, Jan, heer van Culemborg, met de goederen die diens vader hield van de grafelijkheid van Holland[224].

24.11.1348: Gerard van Asperen, heer van Tull, ridder, vraagt op verzoek van zijn zuster, vrouwe van Asperen, en haar kinderen, de heer van IJsselstein om teruggave van alle brieven, die deze van wijlen de heer van Asperen en Hagenstein en zijn vrouw heeft[225].

24.11.1348: Aleid, vrouwe van Asperen, Hagenstein en Harpen, verzoekt heer Arnold, heer van IJsselstein, de brieven over te geven, die hij van heer Otte, heer van Asperen en Hagenstein, haar overleden vader, en van vrouwe Aleid, haar moeder, heeft en die haar en haar zusters toebehoren[226]. Idem verzoekt Aleid Arnold, heer van IJsselstein, de brieven te overhandigen die haarzelf, haar overleden man en haar kinderen toebehoren[227].

31.1.1349: De deken van St. Apostoli te Colonia beveelt alle geestelijken om de brief van paus Clemens VI d.d. 5.10.1348, inhoudende een beschikking op een verzoekschrift van Arnold, heer van IJsselstein, en gericht aan de proost en de deken van St. Apostoli en de deken van St. Georgius te Colonia en de commissie d.d. 24.1.1349, hem door de beide andere gedelegeerden gegeven, bekend te maken en heer Jan van Arkel, bisschop van Utrecht, voor hem te dagen[228]. Op 25.8.1353 gelast de deken van St. Apostoli te Colonia, door de paus gedelegeerd als rechter in appčl in de zaak tussen Jan, bisschop van Utrecht, ener-, en heer Arnold, heer van IJsselstein, anderzijds, de plebaan van S. :upus te Colonia en alle notarissen van de Curia te Colonia om de bisschop te dagvaarden op verzoek van heer Arnold tot het afleggen van de eed op de smaad, hem aangedaan door heer Arnold, inzage te nemen van de stukken van de vorige instantie en zijn eigen stukken van die instantie over te leggen[229].

8.2.1349: Willem, hertog van Beieren, verbeider van Holland, verklaart dat de heer van IJsselstein uit gunst en zonder daartoe verplicht te zijn heeft bijgedragen tot het dijken van de waden, die in de Lekdijk gescheurd zijn[230].

1.3.1349: Willem, hertog van Beieren, verbeider van Holland, beveelt zijn onderzaten om de geestelijken van de heer van IJsselstein, die de bevelen van de paus, gericht tegen de bisschop van Utrecht, zullen overleggen, behulpzaam te zijn bij de uitvoering daarvan[231].

25.9.1350: Margriet, gravin van Holland, draagt de voogdij van de kinderen van heer Amelis van Mijnden, ridder, haar leenman, op aan de heer van IJsselstein[232].

18.10.1350: Margriet, gravin van Holland, schenkt heer Arnold, heer van IJsselstein, tolvrijheid voor zijn burgers van IJsselstein in haar landen[233].

10.11.1351: Arnold, heer van IJsselstein, beleent Claes Mugghe met 2 ˝ morgen land aan de noordzijde van de IJssel en met 3 morgen aldaar, die Claes hem opgedragen heeft, terwijl Claes’ vrouw, Nelle, uit dit goed haar erftocht krijgt[234].

30.1.1352: Willem Haeskainz. geeft 7 hond land in Benschop aan het gasthuis te IJsselstein of, indien dit niet blijft bestaan, aan een stichting, aan te wijzen door de heer van IJsselstein[235].

7.2.1352: Jacob Loef van Ruwiel, knaap, belooft heer Arnold, heer van IJsselstein, 4 morgen land, gelegen binnen 2 mijlen van de stad Utrecht te geven om er weer mee beleend te worden of hem 100 pond te betalen[236].

24.4.1353: Gijsbert, heer van Vianen en Goije, knaap, belooft heer Arnold, heer van IJsselstein, om, ingeval zijn vrouw Beatrix kinderloos sterft, 10 ˝ morgen 1 hond land in Hopenesse bij de Nieuwendam en 4 ˝ morgen in Benschop, geheten de Scoude Viertel, haar als huwelijksgift gegeven door heer Arnold, terug te geven[237].

15.6.1353: De notaris Johannes Wijnt instrumenteert dat Arnold de Slaper, pastoor te IJsselstein, de ruil goedkeurt, gedaan door zijn voorganger, mr. Mourijs, met heer Arnold, heer van IJsselstein, waarbij de laatste een hofstede kreeg, gelegen aan de stadsmuur op de oostzijde van de kerk, waarvan hij het grootste deel gegeven heeft tot uitbreiding van het kerkhof, een ander deel gehouden heeft voor de muur, waarvan er nog een deel overbleef, waarop het huis staat, dat Willem Moelneve nu bezit[238].

23.4.1354: Arnold, heer van IJsselstein, geeft aan de priesters van de kerk van IJsselstein 16 hond land, geheten de Wit Akker, gelegen in het Oudeland, tussen de Hofkamp en Eiteren, tot het houden van twee wekelijkse gezongen missen voor zijn vader heer Gijsbert, heer van IJsselstein[239].

24.5.1354: De mannen van heer Arnold, heer van IJsselstein, oorkonden dat Arnold van Liesveld de heer van IJsselstein uit geldgebrek een stuk land, gelegen op Hopenesse buiten de Nieuwendam, geheten die Tule en leengoed, verkocht heeft[240]. Hetzelfde wordt op die dag verklaard door de schepenen van IJsselstein en voorts dat de rentmeester, Oemkijn, Arnold van Liesveld betaald heeft[241].

15.8.1354: Hertog Willem van Beijeren, graaf van Holland, beleent heer Arnold, heer van IJsselstein, met al het goed dat hij van de grafelijkheid van Holland en van zijn moeder, keizerin van Rome, gravin van Henegouwen (en Holland), in leen hield[242].

10.5.1355: Burgemeesters, schepenen en raad van de stad Oudewater beloven heer Arnold, heer van IJsselstein, geen IJsselsteiners pportrecht te geven, tenzij zij zich metterwoon in Oudewater vestigen, terwijl zij hun burgers, die in zijn land wonen, vrij laten[243].

29.9.1356: Arnold, heer van IJsselstein, geeft ter ere Gods en van St. Ewald tot het stichten van een altaar in het gasthuis te IJsselstein of elders, 4 morgen land in Polsbroek, 1 ˝ morgen in Benschop en 7 hond en 10 ˝ hond in het Oudeland van IJsselstein[244].

25.1.1357: Coene van Oosterwijk Cusersz., knaap, belooft heer Arnold, heer van IJsselstein, 8 morgen land te kopen om er door hem mee beleend te worden[245].

15.3.1358: De proost van Arnhem doet uitspraak tussen de heer van IJsselstein c.s. ener- en heer Willem Borren van Hemmen en meerdere van den Dorenweerd geboren magen van Otto van Kattenbroek anderzijds, en beslist dat de heer van IJsselstein ten onrechte beweert voldaan te hebben aan de zoen wegens de doodslag op Otto van Kattenbroek gepleegd en veroordeelt hem om heer Willem Borren van Hemmen of heer Beernt van den Dorenweerd 10 dagen lang 10 gewapende mannen ter beschikking te stellen[246].

25.3.1358: Albrecht, hertog van Beieren, ruwaard van Henegouwen, belooft heer Arnold, heer van IJsselstein, evenveel te vergoeden voor elke dag dat hij in ‘s lands belang van huis is, als zijn broeder, hertog Willem, hem schriftelijk beloofd heeft[247].

20.8.1358: Albrecht, hertog van Beieren, ruwaard van Henegouwen en  Holland, bevestigt alle brieven die Aelbrecht’s vader, graaf Willem, zijn oom, graaf Willem, zijn moeder en zijn broer, hertog Willem van Beieren, graaf van Henmegouwen en Holland, aan heer Arnold, heer van IJsselstein, gegeven hebben[248].

14.3.1359: Albrecht, hertog van Beieren, ruwaard van Henegouwen en Holland, verklaart dat heer Arnold, heer van IJsselstein, zijn raad, op zijn verzoek, maar zonder daartoe verplicht te zijn, manschappen naar den Haag zal sturen voor de oorlog tegen de stad Delft[249].

14.9.1359: De pastoor van de parochiekerk in IJsselstein geeft zijn toestemming tot de stichting van 6 kapellanieën in die kerk door heer Arnold van IJsselstein[250].

21.9.1359: Arnold, heer van IJsselstein, sticht in de kerk aldaar met toestemming van de rector, 6 kapellanieën voor 6 priesters, die persoonlijk mpeten resideren en waarover hij het collatierecht zal hebben en begiftigt ze met een aantal goederen en inkomsten tot het houden van memories voor hem, zijn vrouw en zijn kinderen, voor welke stichting hij de bevestiging vraagt van Jan, bisschop van Utrecht[251]. Op dezelfde dag bevestigt bisschop Jan deze stichting[252].

30.3.1360: Buren van Meerlo oorkonden dat Gijsbert de Potter, burger van Utrecht, en zijn vrouw Aleid, tegen betaling afstand hebben gedaan van alle aanspraken op het land, dat Gijsberts “sweer” Aernt van den Vene bezat, ten behoeve van heer Arnold, heer van IJsselstein, opdat deze zijn vrouw Aleid met 1/8 ervan zal belenen[253].

1.10.1360: Arnold, heer van IJsselstein, leen man van Utrecht, geeft de beneficianten van de kerk te IJsselstein 7 morgen land in Opburen, 3 morgen op het Oudeland naast de kapel van Eiteren, 7 hond, 2 1/2, 2 en 4 morgen in Benschop en 8 hond in Meerlo en bepaalt hoe de inkomsten daaruit verdeeld zullen worden over de bovengenoemde personen benevens vicecureit en koster, die aanwezig moeten zijn bij verschillende diensten voor de zielen van zijn vrouw en kinderen, waarbij zij zich moeten houden aan de brief, die de cureit heeft[254].

15.8.1361: De notaris Johannes Wijnt instrumenteert, dat Arnold, heer van IJsselstein, zijn testament maakt, waarbij hij legaten vermaakt aan een aantal geestelijke instellingen[255].

5.12.1361: Kurstiaen van Tule en Roelof van Tricht, broeders, oorkonden dat hun broer heer Willem van Tule, bij testament al zijn goed aan deze zijde van de Lek aan heer Arnold, heer van IJsselstein heeft vermaakt en dat zij er afstand van doen evenals van de pachtsom van een tiend te Oudekerk[256].

8.3.1362: Arnold, heer van IJsselstein, geeft als executeur van heer Willem van Tule, ridder, aan de priesters te IJsselstein 8 hond land op de noordzijde van Benschop, om uit de opbrnegst daarvan elke maand 10 schellingen te besteden voor een memorie voor heer Willem[257]. Van deze brief wordt op 8.3.1362 door de kapelaans van de heer van IJsselstein een vidimus gegeven[258].

23.5.1362: Arnold, heer van IJsselstein, beleent Florens van Dalem met 9 morgen land in Dalem, geheten des Rovers Kinderland, zoals diens vader deze hield[259].

16.6.1362: Willem van Tuul en Gijsbert Hacke Willemsz., schepenen van Deijl, oorkonden dat Corstiaen van der Moelen 7 morgen 1 hond en 2 morgen 5 hond land in Gellinchem verkocht heeft aan heer Arnold, heer van IJsselstein[260].

25.6.1362: Priesters en kapelaans van heer Arnold, heer van IJsselstein, fundator van de kerk aldaar, beloven niet zonder zijn toestemming onroerend goed, in het bijzonder niet in IJsselstein, Benschop en Polsbroek, te zullen aanvaarden[261].

19.9.1362: Kapelaans van de abt van Eberach van de orde van Cystiaus verklaren dat zij van heer Arnold, heer van IJsselstein, alle goed, boeken en ornaten terug ontvangen hebben, die de orde vroeger naar Eiteren gezonden en aan wijlen heer Gijsbert van IJsselstein verpand had met belofte, dat de abt zelve hem alle brieven en beloften, aan de orde gedaan, zal kwijtschelden[262].

1.12.(ca.1362): Schepenen en raad van Elburg beklagen zich bij heer Arnold, heer van IJsselstein, over het in hechtenis nemen van twee burgers zonder een hun bekende reden, terwijl hertog Eduard van Gelre hun heeft geantwoord geen andere vede te weten dan dat burgers van IJsselstein in Brabant schade hadden gelden door lieden, die evenwel geen inwoner zijn van zijn hertogdom[263].

12.2.1363: Arnold, heer van IJsselstein, vermaakt verschillende voorwerpen aan zijn zes dochters en andere familieleden[264].

12.2.1363: Arnold, heer van IJsselstein, maakt testamentaire beschikking voor zijn dienaren[265].

12.2.1363: Arnold, heer van IJsselstein, geeft aan de kapelaans van de kerk van IJsselstein 5 ˝ hond land in Benschop op voorwaarde, dat zij jaarlijks van de inkomsten 10 schellingen zullen geven aan de abdij Oudwijk, aan Vrouwenklooster, het klooster van St. Servaes endat van Mariëndaal tot het doen van een memorie, terwijl voor de overblijvende 2 pond memories gehouden moeten worden voor zijn zuster van Montfoort en voor Oartrijs(?)[266].

 

Kinderen (er moeten 6 dochters zijn geweest):

a.         Guyotte, vrouwe van IJsselstein, tr. Jan, heer van Egmond, overl. 1369.

 

                20.5.1330: Gijsbert, heer van IJsselstein, Arnold van IJsselstein, ridder, en Jan van Egmond, maken huwelijkse voorwaarden tussen de laatste en jonkvrouwe Guyotte, dochter van heer Arnold van IJsselstein[267].

                20.5.1330: Willem, graaf van Holland, belooft in aansluiting op de brief van 6.1.1309 (zie aldaar), jonkvrouwe Guyotte, gehuwd met Jan van Egmond, in het bezit te stellen van het huis te IJsselstein, indien heer Arnold van IJsselstein geen zoons nalaat[268].

                21.9.1347: Guyotte, vrouwe van Egmond, beleent Hendrik van Harmelen met al het goed dat hij hield van haar moeder, vrouwe van IJsselstein[269].

                5.4.1363: Johannes Wijnt, notaris, geeft op verzoek van heer Jan van Egmond en IJsselstein transsumpt van de brieven d.d. 14.8.1311, 18.10.1343, 28.10.1343 en 28.6.1347[270].

                11.6.1364: Deken en kapittel van Oudmunster te Utrecht geven aan heer Jan, heer van Egmond en IJsselstein, en vrouwe Guyotte zijn vrouw, gedurende haar leven het gerecht, cijns en grote en kleine tienden in de Achtersloot in pacht[271].

                12.9.1364: Albrecht, hertog van Beieren, ruwaard van Holland, beleent vrouwe Guyotte, vrouwe van IJsselstein en Egmond, zijn nicht, met alwat haar vader, heer van IJsselstein, van de grafelijkheid van Holland in leen hield[272].

                Uit dit huwelijk o.m. een dochter Berte van Egmond, waarvoor op 6.7.1371 huwelijkse voorwaarden werden opgesteld, m.b.t. tot haar huwelijk met Gerrit van Culemborg. De borgen daarbij waren o.m.: heer Gijsbert van IJsselstein, heer Otto van Leijenberg, Willem van Egmond, Jan van Almelo, Jan van den Vliet en Elias van Woudenberg[273].

 

b.         Catharina, tr. Daniël, heer van Goor.

 

            28.12.1347: Schout en schepenen van IJsselstein ooprkonden dat Catharina, dochter van de heer van IJsselstein, afstand doet van wat zij van haar moeder geërfd heeft en van haar vader erven zal[274].

                Arnold, heer van IJsselstein, geeft aan zijn dochter Catharina, vrouwe van Goor, als huwelijksgift het goed, vermeld in de brief d.d. 16.12.1344, waardoor deze gestoken is, tot een onversterfelijk leen, terwijl zij afstand doet van het erfdeel van haar moeder[275]. Catharina wordt op 31.7.1349 door haar vader Arnold, heer van IJsselstein, met het betreffende goed beleend[276].

                30.3..1356: Daniël van Goor, ridder, en Catharina van IJsselstein, zijn vrouw, beloven hun vader, de heer van IJsselstein, kwijt te schelden het goed, gerecht, cijns en tiende van Meerlo, aan Catharina vermaakt, in ruil voor land ter waarde van 100 pond zwarte tournooizen jaarlijks[277].

 

c.         Beerte, tr. Willem Baraad van der Haye, ridder, heer van Sars en Maisnil, kastelein van Mons 1350-1351, baljuw van de bossen van Hemegouwen 1360-1361, baljuw van Henegouwen 1361-1362, overl. Mons 8.5.1364[278].

 

                16.2.1347: Willem Baraad van der Haye, ridder, belooft heer Arnold, heer van IJsselstein, zijn schoonvader, diens schulden bij zijn dood te betalen, in zoverre hij de heerlijkheid IJsselstein mocht erven, afstand doende van hetgeen hem en zijn vrouw Beerte is aangestorven van Marie, vrouwe van IJsselstein, Beerte’s moeder[279]. Nog die zelfde dag oorkonden schepenen van IJsselstein dat Willem afstand heeft gedaan van de nalatenschap, hem en zijn vrouw Beerte, aanbestorven van Marie, vrouwe van IJsselstein[280].

                5.3.1364: Vrouwe Beerte van IJsselstein, vrouwe van Saers, en haar zoon Willem van Saers, als voogd schelden de heer van Egmon en IJsselstein en zijn vrouw, hun zuster en tante, tegen borgstelling 500 pond zwarte tournooizen, 50 moutons en 600 pond kwijt, benevens alle roerende goederen, die vrouwe Beerte door haar vader vermaakt waren, behalve hetgeen hij haar bij zijn leven heeft gegeven[281].

 

Bastaard:

d.             Hendrik, bastaard van IJsselstein, vermeld in 1342. Vader van:

                da.                Gijsbert Hendriksz., vermeld 1360-1403.

                db.                Aleid, vermeld 1363

dc.                  Elisabeth, vermeld 1363, in 1410 weduwe van Gerard Schaap, ouders van Hendrik Schaap

dd.                Margaretha, vermeld 1363, tr. Jan Berwoutsz.

                de.                Bertha, tr. Pieter van Muiden, hieruit: Arnoud en Gijsbert van Muiden.

(Leenregister van IJsselstein:) 7 morgen land in Benschop op de zuidzijde (1422: beneden de kerk).

6-1-1349: Hendrik, bastaard van Arnout, heer van IJsselstein, als getuige vermeld 1342, zoals Ernst van Marland in ruil voor 16 pond jaarlijks op het Hofland, waarna Arnout daarop Katharina, vrouwe van Goor, zijn dochter, goedt, A fo. 27v, Nassaus Domein, 11, inv. 129.

..-.- 13..: Gijsbert Hendriksz., als getuige vermeld 1360-1403, A fo. 129~ en fo. 81.

22-2-1410: Gijsbert Hendriksz. van IJsselstein, eventueel te komen op Gijsbert van Muiden, zijn neef, met lijftocht van Berta, zijn vrouw, A fo. 28.

..-.- 1422: Gijsbert van Muiden, neef van de leenheer, bij dode van Gijsbert Hendriksz., zijn oom, A fo. 49.

9-3-1425: Gijsbert van Muiden, eventueel te komen op Pieter, bastaard van Egmond, zijn neef, na de kinderloze dood van Pieter, zijn zoon, A fo. 78v en fo. 49.

 

12 morgen land in Benschop op de zuidzijde, waar Govert Scoutenz. op woont, (1409: waarvan 4 morgen aan de bovenzijde gelegen zijn in een halve hoeve, waarvan de vrouwen van St. Servaas de andere helft hebben).

..-.- 13..: Govert Scoutenz., als getuige vermeld 1338-1348, A fo. 57~ en fo. 146~. ;

22-9-1358: Pieter van Muiden, klerk van de leenheer, bij overdracht door Govert Scoutenz. voor 300 pond zwarten, die hij zou beleggen voor zijn huwelijk met Berta, dochter van Hendrik van IJsselstein, zoon van de leenheer, A fo. 46~.

..-.- 13..: Arnout van Muiden, schout, als getuige vermeld 1396-1403, A fo. 43v en fo. 81.

2-12-1409: Arnout van Muiden met lijftocht van Berta van Muiden, zijn moeder, en krijgt 4 morgen ten eigen, waarvoor hij binnen 4 jaar weer opdracht zal doen in Benschop, A fo. 47.

 

10 morgen land in Mierlo (=Meerlo!) op het Oudeland op het eind van het land van IJsselstein.

21-9-1363: Gijsbert, Aleid, Elisabeth en Margaretha, kinderen van Hendrik, bastaard van Arnout van IJsselstein, met lijftocht van Jan die Blonde, A fo. 28.

 

2  morgen gemeen in 10 morgen, waarvan Gijsbert Hendriksz. Van IJsselstein, haar broer, 5 morgen houdt.

..-. -14(10): Hendrik (Schaap) voor Elisabeth, dochter van Hendrik, bastaard van IJsselstein, weduwe van Gerard Schaap, zijn moeder, A fo. 28 en fo. 81~.

 

 

 

 

 

VIIIb.      Otto van IJsselstein, overl. voor 1.3.1353, tr. 1) Berta Grauwert, tr. 2) Mechteld van Zuilen, zij hetrouwt voor 7.8.1354 Zweder van Vianen (zie 2. Van Vianen van Beverweerd).

 

14.8.1311: Gijsbert van IJsselstein, ridder, en zijn vrouw Berte, wijzen hun zoon Otte toe als erfdeel 59 morgen land in Rijpwiker Weert, 2 morgen aan de Oederdike, 11 morgen in Wittebollencamp, 11 morgen in Vladewijc, 8 morgen in de Hoghe Weert, 6 morgen in het Watersant, 6 ˝ morgen in het Hoghesant, en een hofstede in de Wijrse, om er door zijn broeder Arnold mee beleend te worden als met een onversterfelijk leen[282].

11.4.1330: Graaf Willem geeft Otte van IJsselstein tot een onversterflijk leen: 4 ˝ morgen land in Wijc in het gerecht van heer Sweder van Abcoude, 5 viertel in Marchenveen, 8 viertel aldaar, 6 morgen in het gerecht van Sweder van Vianen, 6 morgen in het gerecht van Albert Honderdmark, 5 morgen 2 hond in het gerecht van Willem van Vleuten, 10 morgen in Wielreveld, 4 morgen 1 hond, 5 morgen 1 hond en 3 morgen in Heijnstmade, 1 hoeve in het gerecht van Dirk van Jutphaes, 6 morgen in Heijnscop in het gerecht van Willem van der Maerne, 9 morgen in Marchen in het gerecht van de bisschop van Utrecht, 1 viertel in het Veen in het gerecht van de domproost en nog 1 viertel aldaar [283].

13.11.1335: Otte van IJsselstein, knaap, belooft zijn vader, de heer van IJsselstein, schadeloos te houden voor de schuld van zijn broer, Jan van IJsselstein, thesaurier van St. Marie in Utrecht, op voorwaarde, dat hij van zijn vader de brieven krijgt, die Jan heeft netreffende de tienden in Erichem [284].

15.6.1341: Arbiters doen uitspraak tussen heer Otto van IJsselstein, ridder, ener-, en Sweder, heer van Abcoude, ridder, anderzijds, over het patronaatsrecht van de kerk van Ankeveen, dochterkerk van die van Nederhorst, waarvan Otto van IJsselstein het patronaatsrecht heeft, en beslissen dat deze ook het patronaatsrecht heeft van de kerk te Ankeveen, thans vacerende door overlijden van Theodorus van Tollenbrugge[285].

21.10.1343: Jan van Henegouwen, heer van Beaumont, beleent heer Otte van IJsselstein erfelijk met 12 morgen en 4 ˝ morgen in Benschop, waarmee Hildegond Brands dochter van den Vene beleend was[286].

28.10.1343: Lude Albarensz., schout, Johan van den Rijn, Jacob Costwijnsz. en Arnoud Mouwerkijn, schepenen van IJsselstein, oorkonden dat heer Otto van IJsselstein, ridder, afstand doet van alwat hij van zijn ouders geërfd heeft, ten behoeve van zijn broer Arnold, heer van IJsselstein, behoudens het goed, dat hij van deze in leen houdt, hetgeen hij eveneens voor schout en landgenoten van Benschop gedaan heeft[287].

16.11.1343: Otto van IJsselstein, ridder, scheldt zijn broer heer Willem van IJsselstein de 100 pond kwijt, die deze beloofd had aan jonkvrouwe Bertrade van den Hove[288]

1.12.1343: Arnold, heer van IJsselstein, beleent zijn broer heer Otte van IJsselstein, ridder, met alwat zijn ouders deze als erfdeel hebben toegwezen, nl.: 59 morgen in Rippicker weert, 2 morgen aan de Oeterdijc, 11 morgen in Wittebollencamp, 11 morgen in Vladewijc, 8 morgen in de Hoghe Weert, 6 morgen in het Watersant, 6 ˝ morgen in het Hoghe Zant en een hofstede in de Woerse, als met een onverstrefelijk leen[289].

21.7.1346: Margriet, gravin van Henegouwen en Holland, enz., gelast Willem Hasekinsz. om heer Otte van IJsselstein met het goed te belenen, dat hij van haar houdt[290]; zulks gebeurt op 21.8.1346[291].

17.10.1350: Margriet, gravin van Henegouwen, Holland, enz., beleent heer Otte van IJsselstein erfelijk met het land dat hij van haar vader in leen hield, nl.: 4 ˝ morgen te Wijc, 8 viertel in Maarssenveen, 6 morgen in Odijk, 6 morgen in Albert Honderdmarks gerecht, 5 morgen 2 hond in het gerecht van de heer van Vleuten, 5 morgen 1 hond aldaar, 3 morgen aldaar op Horstmade, een viertel op Trechterveen in het gerecht van de domproost en nog 1 viertel land aldaar[292].

1.10.1351: Jan, bisschop van Utrecht, beleent Mechteld, vrouwe van Beverweerd, met een viertel land bij Eiteren over de IJssel met een daaraan grenzende kil, na opdracht door haar echtgenoot heer Otte van IJsselstein, ridder.

Uit het eerste huwelijk:

a.          Gijsbert, overl. 1397, tr. NN, waaruit een zoon Gijsbert, vermeld in 1397, in 1399 kinderloos overleden. Mogelijk is hij rentmeester en baljuw van Amstelland, Waterland en Zeevang voor de graaf van Holland geweest[293].

            6.5.1355: Hertog Willem van Beieren, graaf van Holland, enz., oorkondt dat hij op 1.3.1353 te Dordrecht Gijsbert van IJsselstein beleend heeft met het goed dat heer Otte van IJsselstein, zijn vader, van Holland in leen hield[294].

            17.3.1357:Jan van Blois, heer van Schoonhoven en van der Goude, beleent Gijsbert, zoon van heer Otte van IJsselstein, met 12 en 4 ˝ morgen land in Benschop, gelijk Otte er mede beleend was door Jan’s grootvader, heer Jan van Henegouwen, heer van Beaumont[295] (idem op 1.4.1359[296]).

                1.4.1359: Jan van Blois, heer van Schoonhoven en van der Goude, beleent Gijsbert van IJsselstein, zoon van heer Otto, met 12 en 14 ˝ morgen land in Benschop, zoals heer Otto er mede beleend was door heer Jan van Henegouwen, heer van Beaumont, Jan’s grootvader[297].

                20.2.1361: Arnold, heer van IJsselstein, verzoekt de vrouwe van Voorne, daar hijzelf op een desbetreffende vraag van zijn neef, Gijsbert van IJsselstein, het antwoord schuldig heeft moeten blijven, hem in te lichten aangaande het land dat zijn broer heer Otte, Gijsbert’s vader, van haar vader in leen had, al is hem wel bekend, dat haar vaderheer Otte voor geleend geld en dienst in de krijgstocht van de hertog van Gelre naar Vollenho land in Asperen heeft toegewezen[298].

                1.3.1361: Willem van Snellenberch, knaap, getuigt dat heer Otte van IJsselstein als vergoeding voor krijgsdienst, de heer van Voorne bewezen te Vollenhove in diens tocht tegen de hertog van Gelre, een stuk land in Asperen gekregen heeft en dat daarna de heer van Valkenborch hem in Dordrecht er mede beleend heeft om het te houden, zoals hij het van de heer van Voorne hield[299].

                4.4.1371: Albrecht, hertog van Beieren, ruwaard van Henegouwen en Holland, beleent Gijsbert van IJsselstein, zoon van heer Otto, met 10 morgen land in het gerecht van de heer van Abcoude, gekocht van zijn neef Gijsbert van Ruwiel, en met het erf en de renten, hem aanbestorven en gegeven door heer Gijsbert van Ruwiel, zijn half-broer[300].

                ca. 1375, voor de 17de maart: De vrouwe vanEgmond en IJsselstein ontkent tegenover (Jan van Blois), dat zij Gijsbert van IJsselstein het leen, fat hij van hem beweert te houden, afhandig gemaakt heeft, verzekerende, dat het haar vaderlijk erfdeel is en nooit aan de heer van Beaumont, grootvader van Jan van Blois heeft toebehoort, en dat zij Gijsbert meermalen het land van Ghesemalen, waarvan zij de lijftocht heeft, heeft aangeboden, wanneer hij zijn aanspraken daarop kan bewijzen[301].

                ca. 1375: (Gijsbert van IJsselstein) antwoordt (heer Jan van Blois) op diens raad om naar Polsbroek te komen en daar gezamenlijk met enige raden van Jan van Blois zijn recht te bewijzen op een zeker leengoed, dat hem betwist wordt door de vrouwe van Egmond, dat hij weliswaar met dat goed beleend is door heer Jan van Blois, maar niet weet, hoe deze aan het goed gekomen is[302].

                ca. 1375: (Gijsbert van IJsselstein) verzoekt zijn neef Frederik van der Zevender om de voorspraak te zijn van Jan van der Goude, brenger van deze brief, bij heer Jan van Blois, opdat deze hem toestemming geeft tot de verkoop van een halve hoeve land, die Jan van der Goude van hem in leen houdt[303].

 

b.            Berta, tr. Jan van Egmond.

c.             Agnes, geestelijke.

d.             Christina, tr. Willem van Tuijll.

            16.10.1361: Gijsbert van IJsselstein beleent zijn zuster Kerstine, vrouw van Willem van Tule, als huwelijksgift met 9 morgen land in Benschop op de Noordzijde, die hij als leen heeft van jonker Jan van Blois[304]. Dit wordt op 21 okt. d.a.v. door Jan van Blois bevestigt[305].

 

VIIIc.                Herberen van IJsselstein, heer van den Bossche, overl. 1333, tr. Elisabeth.

26.7.1336: Deken en kapittel van St. Marie te Utrecht beloven heer Gijsbert, heer van IJsselstein, de 2 pond, die zij jaarlijks innen uit hun erf aan de Zadelstraat, te zullen besteden voor een jaarlijkse memorie voor heer Herberen van IJsselstein[306].

Kinderen:

a.             Gijsbert, volgt IX.

b.              Mechteld, geestelijke.

c.             Agnes, tr. Dirk van Houweninge.

 

IX.                Gijsbert van IJsselstein, overl. 1397, tr. Johanna van Heemstede. Hieruit:

13.1.1347: Gijsbert van den Bosch, knaap, erkent door zijn oom, heer Arnoud, heer van IJsselstein, uit gratie en niet rechtens beleend te zijn met 16 morgen land in de Broek achter Vreeswijk, 8 morgen in de Wierse, 6 morgen aldaar en 22 morgen bij de Nieuwe Dam, behoudens lijftocht, bestaande uit de gehele opbrengst van dit goed, voor Arnold[307].

2.3.1353: Arnold, heer van IJsselstein, oorkondt, dat zijn neef, heer Gijsbert van IJsselstein, hem 12 morgen leengoed, gelegen achter de Wierse in de Broek heeft opgedragen, waarvoor hij hem 12 morgen in Benschop beleent[308].

12.3.1364: Guyotte, vrouwe van IJsselstein en Egmond, beleent Gijsbert van IJsselstein, haar neef, met het goed, dat hij in leen had van haar vader (mogelijk betreft dit echter Gijsbert Otto’sz. van IJsselstein)[309].

10.9.1369: Gijsbert van IJsselstein, ridder, Jan van Almelo, Elias van Woudenberg, en andere leenmannen van vrouwe Guyotte, vrouwe van Egmond en IJsselstein, oorkonden dat haar recht op 3 hoeven land in Rijsenburgerbroek tussen Wolfsgrave en Oostbroek bewezen is tegenover de aanspraken van de heer van Gaasbeek of anderen (mogelijk betreft dit echter Gijsbert Otto’sz. van IJsselstein)[310].

25.3.1375: Arnold, heer van Egmond en IJsselstein, beleent Gijsbert van IJsselstein, zijn neef, met het goed, dat zijn vader en hij van Arnold’s voorvaderen in leen hielden (mogelijk betreft dit echter Gijsbert Otto’sz. van IJsselstein)[311]

a.            Herberen, volgt X.

b.            Jan van Bommenede, tr. Sophia van Alkemade, waaruit een in 1436 overl. zoon Gijsbert.

c.             Walraven, kinderloos overl. 1412, tr. Elisabeth van Woestwijck.

d.            Henrica, tr. Philip van Spangen.

e.             Mechteld, abdisse van St. Servaes, overl. 1409.

 

X.                Herberen van IJsselstein, heer van den Bossche, overl. 1432, tr. Johanna van Heemstede. Hieruit:

a.             Johanna, tr. Amelis, heer van Mijnden.

b.            Gijsbert, volgt XIa.

c.             Arend, volgt XIb.

d.            Agnes, tr. Gijsbert van Vianen van Rijsenburg.

e.             Frank, volgt XIc.

 

XIa.            Gijsbert van IJsselstein, heer van den Bossche, tr. Adriana van Zwieten. Hieruit:

a.             Anton, ongehuwd overl.

b.            Margriet, vrouwe van den Boscche, tr. Arend van Duvenvoorde.

 

XIb.        Arend van IJsselstein, tr. N. van Zuijlen. Kinderen uit dit huwelijk:

a.             Cornelis, volgt XII.

 

XIc.        Frank van IJsselstein, tr. Aleid van Zoudenbalch. Hieruit:

a.                Herberen, kinderloos overl.

b.                Hadewig, tr. Adriaen Freijs van Cuijnre.

 

XII.                Cornelis tot Werdenstein, tr. Margriet Oem van Wijngaarden. Hieruit:

a.             Frank, overl. als laatste van zijn geslacht in 1602, tr. Maria van Vliet.

b.            Adriana, tr. Jan Bolle.

c.             Aleid, tr. Paulus van Eisteren.

 

 

VAN  Vianen van Beverweerd

 

 

I                Mechteld van Zuilen, weduwe van Otto van IJsselstein, tr. voor 7.8.1354[312] Zweder van Vianen, overleden voor 1403[313].

1.10.1351: Jan, bisschop van Utrecht, beleent Mechteld, vrouwe van Beverweerd, met een viertel land bij Eiteren over de Ijssel met een daaraan gernzende kil, na opdracht door haar echtgenoot, heer Otto van IJsselstein, ridder[314].

27.2.1356: Everard van den Rijn, knaap, verklaart dat Zweder van Vianen en zijn vrouw Mechteld van Beverweerd het erf te Jutphaes, waarmee Mechteld Everards vrouw Agnes heeft beleend, afgelost hebben, en belooft hun de leenweer van het goed kwijt te schelden, wanneer zij dat wensen[315].

22.12.1358: Zweder van Vianen, knaap, beleent Godevaerd Johan Woutersz.zoon met 3 morgen land in het Ghoey als een onversterfelijk leen[316].

1.9.1366: Johan de Rover en Hubrecht de Paep Dyderic Moeyaerts zonen verkopen aan Sweder van Vianen 12 morgen land in Werconde[317].

4.4.1368: Jacob Eerstsz. van Katwijc, rechter, en Willem van der Haar, Diederik van Katwijk, Stulting van Bunnik en Volkwijn van Zalland, landgenoren en buren van Werconden, oorkonden dat Johan van den Vene heeft overgedragen aan Zweder van Vianen het goed Ten Vene aldaar, dat hij geërfd heeft van zijn broer Daniël van den Vene met de bijbehorende stukken, die Daniëls vrouw, Lent van den Moorter, hem gegeven heeft[318].

22.4.1368: Johan van den Vene nelooft Zweder van Vianen de vrije eigendom te geven van de hofstede Ten Vene met 8 morgen land, waarmee Zweder hem belenen zal, zodra Johan het goed afgelost zal hebben[319].

1.2.1369: Jacob Eerstsz. van Katwijk, schout, en Gerrit van Oostrem, Willem van der Haar en Albrecht van den Zanden, landgenoten te Werconden, oorkonden dat jonkvrouw Ermgard van den Vene heeft getransporteerd aan Zweder van Vianen ten behoeve van heer Gijsbert, heer van Vianen en Goije, al haar rechten op het goed Ten Vene, die zij van haar broer, heer Daniël, geërfd mag hebben[320].

3.5.1370: Jacob Eerstsz. van Katwijk, schout, en Gerrit van Oostrem, Johan Over de Vecht en Willem van der Haar, landgenoten en buren te Werconden, oorkonden dat jonkvrouw Hildegond, weduwe van Johan van den Vene, met haar zoon Hendrik en verdere kinderen hebben overgedragen aan Zweder van Vianen, alle recht, dat zij hebben mogen op het goed Ten Vene[321].

10.12.1375: De notarissen Daniël Pistoris en Hermanuus van der Borch instrumenteren dat in tegenwoordigheid van Arnold, bisschop van Utrecht, en enige prelaten van de Dom, Johan, heer van Culemborch, Gijsbert, heer van Vianen, “barones”, Zweder van Vianen, Dirk van van Zuilen, Gijsbert van Sterkenburg, Gijsbert van Hardenbroek, ridders, en vele anderen, knapen en edelen en gegoeden, in de kapittelzaal van de Dom, waar het kapittel vergaderd was, heer Willem van Egmond namens zijn broer, heer van Egmond, erin heeft toegestemd voor deze keer onder voorbehoud van zijn rechten bij te dragen tot het maken van een nieuwe dijk, in de omgangstaal oplage genoemd, ter versterking van de Lekdijk, nadat gebleken is dat het daartoe door heer Steven van Zuilen gedane verzoek ook namens de bisschop en de hoge geestelijkheid van Utrecht is geschied[322].

13.12.1375: Baers Jacobsz., rechter van Honswijk, vanwege de heer van Culemborch, oorkondt dat voor hem en landgenoten Hendrik van Bloemenstein, knaap, aan zijn neef, heer Zweder van Vianen, heeft overgedragen zijn renten uit een ˝ hoeve land in Honswijk[323].

Zie voor het wapenbord van ene Wouter van Bloemenstein, overl. 23.2.1339, de NL 1949, kolom 339, met de beschrijving van diens vaderlijke en moederlijke kwartieren!

23.10.1378: Johan en Arnt van Buren, ridders en broeders, verkopen aan heer Zweder van Vianen, ridder, 1 ˝ morgen land aan de Houdijk, 6 morgen op Vlowijk te Werconden, 2 hond land te Jutphaes, 8 jond land achter Sterkenburg aan de hoofdwetering, 7 ˝ schelling in het gerecht van den Goije, 4 hond land in Schalkwijk, 5 hond te Odijk op Atteveld, ˝ morgen achter het dorp Werconden aan de Rijn en 7 hofsteden te Werconden, van welke goederen heer Zweder reeds 2/3 bezit [324].

1381: Otto Over de Vecht, schout vanwege de Dom te Utrecht in het gerecht van de Nieuwendijk in (de parochie) Werconden, oorkondt dat voor hem en landgenoten Dirk van Voorde heeft overgedragen aan heer Zweder van Vianen, ridder, het goed Ten Winkel[325].

22.2.1385: Johan van Kersbergen, ridder, verklaart met zijn vrouw Elisabeth ontvangen te hebben gedurende hun beider leven van heer Zweder van Vianen 7 morgen 2 hond land op Lakerveld, geheten het Kyveland[326].

30.3.1386: Gijsbert, heer van Vianen en van Goije, beleent met goedvinden van zijn zoon, heer van Ameide, zijn broer, heer Zweder van Vianen, met het haankoren uit het kerspel Houten[327].

10.2.1389: Gijsbert, heer van Vianen en van Goije, beleent met goedvinden van zijn zoons heer Hendrik, heer van Ameide, en Johan, zijn broer heer Zweder van Vianen met het huis ten Goije met gerecht en heerlijkheid, dat hij van de grafelijkheid van Holland in leen heeft, ten overstaan van leenmannen van Holland en van Vianen[328].

2.11.1392: Jutta, weduwe van Gijsbert Hermansz., verkoopt aan heer Zweder van Vianen, ridder, haar rechten op een halve hoeve land in Driebergen[329].

12.6.1393: Roelof van Tule heer Gijsbertsz. geeft aan heer Zweder van Vianen, ridder, in erfpacht 1/11 van 12 morgen land in Odijk, geheten Kreyenhoeve[330].

Kinderen:

1.             Jan, volgt IIA.

2.             Gijsbert, volgt IIB.

Bastaarden:

a.             Celie, bastaarddochter van Vianen, vermeld onder graaf Willem VI, tr. Floris N.[331].

 

II             Jan van Vianen van Beverweerd, heer van Beverweerd, 13.1.1368 door de bisschop van Utrecht beleend met 24 morgen in Driebergerbroek, zegelde als ridder 10.2.1389, werd in 1391 beleend te Maarseveen, verhuurde 28.2.1392 in Werkonde 4 morgen, kocht enig land op 14.2.1397, verwierf 8.1.1398 te Werkonde 6 morgen land op Vlowijc, werd 7.5.1398 opgeroepen om Albrecht van Beieren met twintig man in de Friese oorlog te dienen, zegelde 3.5.1403, pachtte 9.10.1406 in Werkonde 24 morgen, beloofde op 1.6.1409 aan Otto van Buren 100 Engelse nobels te betalen, overlden tussen 11.8.1414 en 7.4.1421, tr. voor 2.1.1398 Elisabeth van Buren, dr. van Alard, heer van Buren en Bosinchem, en van Elisabeth van Bronkhorst.

13.1.1368: Johan van Virnenborch, bisschop van Utrecht, beleent Johan Zwedersz. van Vianen met 24 morgen land met gerecht en tiende in Drieberger Broek, na opdracht door Elias van Laar[332].

10.2.1389: Gijsbert, heer van Vianen en van Goije, beleent met goedvinden van zijn zoons heer Hendrik, heer van Ameide, en Johan, zijn broer heer Zweder van Vianen met het huis ten Goije met gerecht en heerlijkheid, dat hij van de grafelijkheid van Holland in leen heeft, ten overstaan van leenmannen van Holland en van Vianen. Onder de zegelaars heer Johan vanVianen, ridder, welke  volgens de index van Drossaers Johan Zwedersz. van Vianen zou betreffen[333].

28.2.1392: Willem van den Rijn, knaap, huurt van heer Jan van Vianen, ridder, 4 morgen land in Werkonde aan de Eijntsloot voor 10 jaar.   Ook hier zou het volgens de index van Drossaers Johan Zwedersz. van Vianen betreffen[334].

14.2.1397: Jan van den Velde Albertsz. verkoopt aan heer Jan van Vianen van Beverweerd, ridder, 4 morgen 4 hond land, waar hij nu op woont[335].

2.1.1398: Jan van Vianen van Beverweerd, ridder, en Elisabeth van Buren, vrouwe van Beverweerd, erkennen verkocht te hebben aan Jan uten Weerde Loefsz. 2 morgen 4 hont land onder Rijdwijk[336].

8.1.1398: Jan de Ridder Claasz., schout van Werconde, oorkondt dat Dirk van Voorde Gijsbertsz. voor hem en landgenoten heeft overgedragen aan heer Jan van Vianen van Beverweerd 6 morgen land aldaar op Vlowijk in het bijzijn van zijn voogden en magen, medegerechtigden in 22 morgen, waarvan deze 6 deel uitmaken[337].

3.5.1403: Willem van Goor beleent als tinsmeester van heer Jan van Vianen van Beverweerd, Gijsbert van Volvenschoten met het tinsgoed Klein Lambalgen te Amerongen na opdracht door Lubbert Heinenz.[338].

9.10.1406: Johan van Wulven, abt, en prior en convent van Oostbroek, geven heer Jan van Vianen van Beverweerd gedurende zijn leven en dat van zijn leenvolger in pacht 24 morgen land op Schoonoversveld bij Werconden[339].

1.6.1409: Jan van Vianen van Beverweerd, ridder, belooft te zullen betalen aan Otto van Buren 100 Engelse nobels[340].

11.8.1414: Philips van Wassenaar, burggraaf van Leiden, en Bartout, heer van Assendelft, ridder, namens Walraven, heer van Brederode en Gennep, ter eenre, en Johan van Vianen, broeder tot Vianen, en Johan van Vianen van Beverweerd, ridders, namens hun broer heer Hendrik, heer van Vianen an Goije, burggraaf van Utrecht en heer van Ameide, als vader van jonkvrouw Johanna, vrouwe van Ameide, maken huwelijkse voorwaarden[341].

Kinderen:

1.             Gijsbert, volgt III

2-5          3 dochters en een zoon

 

III                Gijsbert van Vianen van Beverweerd, zegelde 27.7.1422 het vredesverdrag tussen Holland en het Sticht, vermeld als leenheer van een hoeve land op Vlowijc 6.12.1424, hofmeester van de bisschop van Utrecht in 1425, kreeg een geleide met twaalf personen 23.7.1434, overl. voor 1436, tr. 1) Clementia de Poucques, dr. van Alard de Poucques en van Catharina van Borssele, tr. 2) Anna de Hennin de Bossu, beloofde op 26.11.1437 het goed ten Vene in Werconde later aan haar stiefdochter over te dragen, hetgeen 19.8.1441 geschiedde, overl. in febr. 1478, begr. te ‘s Gravenhage, dr. van Wouter de Hennin de Bossu en Sibylla van St. Wynoxbergen, en weduwe van Jacob van Borssele, heer van Brigdamme; ze hertrouwde (huw.voorw. 1.3.1442) Willem van Egmond, heer van IJsselstein.   

7.4.1421: Gijsbert van Vianen van Beverweerd beleent, na opdracht door zijn oom Gijsbert van Vianen van Rijsenburg, diens dochter Zweder van Vianen en Hoekelom met de Grevenweerd boven Culemborg aan de Lek, met de visserij, haar als huwelijksmedegave toegezegd en van ouds behorende tot de heerlijkheid van den Goije[342].

6.12.1424: Hendrik van Rijsenburg en zijn vrouw, jonkvrouw Wendelmoed van der Cule, oorkonden dat jonker Gijsbert van Vianen van Beverweerd een hoeve land op Vlowijk, die zij van hem in leen hebben, over drie jaar mag inlossen met 300 Hollandse schilden, waarvoor zij dan ander land als leengoed zullen kopen[343].

23.1.1429: Willem, heer ten Berg, en Gijsbert van Vianen, heer van Beverweerd, doen uitspraak in de geschillen tussen Willem, heer van Buren, en zijn oom Johan van Buren, heer van Ewijk[344]

26.11.1437: Jan Eerstz. van Ommeren, schout van Werconden, oorkondt dat jonkvrouw Anna van Bossu, vrouwe van Brugdam en Beverweerd, voogdes van Bergen en Henegouwen, voor hem en landgenoten beloofd heeft het goed Ten Veen, dat zij van Roetert Proys en jonkvrouw Ave, zijn vrouw, gekregen heeft, aan Janna, dochter van wijlen haar man, Gijsbert van Vianen van Beverweerd, zal overdragen wanneer zij meerderjarig zal zijn[345].

Uit het eerste huwelijk:

1.             Johanna, volgt IV

 

IV                Johanna van Vianen van Beverweerd,  nog minderjarig op 26.11.1437, tr. Jan van Bouchout[346], heer van Boulaar en Schendelbeek, zoon van Gilles van Bouchout, ridder, en van Aliana de Rijgersvliet, vrouwe van Boulaer en Schendelbeke.

19.8.1441: Zweder Hendrik Buddingsz., schout van Werconden, oorkondt dat jonkvrouw Anna van Bossu, vrouwe van Brigdam en Duveland, voogdes van Bergen in Henegouwen, heeft overgedragen aan jonkvrouw Janna van Vianen van Beverweerd, vrouw van jonker Johan van Bouchout, het goed Ten Vene, gelegen tussen de Rijn en Langbroeker wetering en langs de Venense steeg[347].

23.8.1441: Anna van Bossu, vrouwe van Brigdam en Duveland, voogdes van Bergen in Genegouwen, verklaart ontvangen te hebben als lijftocht tot een bedrag van 400 Franse kronen van Jan van Bouchout en Johanna van Vianen, vrouwe van Beverweerd, zijn vrouw, 7 morgen land geheten het Schuurland, 11 morgen geheten de Weert, 4 morgen geheten de Rode Hhovel, 28 morgen geheten Foyssen Campen, nog een weerd groot 12 morgen waar de molen op staat, 28 morgen in het Goije aan het overste eind, waar het gerecht van de heer van Abcoude placht te beginnen, 28 morgen daaraan grenzend, 27 morgen bij de voorgaande gelegen op Geenkens Damme, een stuk bouwland te Tulle tussen de Lek en de Waal wetering, verder te Werconden ca. 12 morgen, geheten Schoonoversveld, met de Ganskamp, 3 stukken bouwland, het goed Ten Vene tussen de Rijn en de Langbroeker wetering en langs de Venense steeg en 1 ˝ hoeve land op Vlowijk[348].

20.1.1454: Bartout van Driel, schout van Nieuwendijks gerecht vanwege de domproost te Utrecht, oorkondt dat voor hem en landgenoten Mechteld van Vianen, gravin van Megen, heeft verkocht aan Janna van Vianen van Beverweerd, jonkvrouwe van Bouchout, haar nicht, de helft van 18 morgen land aldaar, geheten In de Winkel, die zij geërfd heeft van haar zuster Catharina van Vianen, vrouwe van Nijevelt[349].

6.3.1470: Marcelis Dirksz. van der Wederhorst, schout van Bunnik en Vechten in het gerecht van de bisschop van Utrecht en van heer Johan van Renesse van Rynouwen, ridder, oorkondt, dat voor hem en landgenoten Johan van Beesde heeft overgedragen aan jonkvrouwe Johanna van Bouchout van Beverweerd, vrouwe van het land van Boelaar, Schendelbeek, Beverweerd en Odijk, een hofstede te Bunnik tussen de Bunniker wedde en St. Antonis’ hofstede[350].

1.2.1473: Hendrik Rapers verkoop aan zijn nicht Janna van Vianen, vrouwe van het land van Boellaer, Schendelbeek, Beverweerd en Odijk, de helft van 8 morgen land, geheten Roelofs Kamp te Asse, grenzende aan de Varkensgrave, aan de straatweg en aan de jonker van Culemborg met Schenken akker, tegen 4 oude schilden jaarlijks[351].

12.3.1482: Arnt Clessz. verkoopt aan jonkvrouw Janna van Vianen van Beverweerd en Odijk, weduwe van Boelaar, enz., een huis in Jutphaes, staande aan de Rijn[352].

27.7.1487: David van Bourgondië, bisschop van Utrecht, oorkondt dat voor hem en leenmannen Johanna van Vianen van Beverweerd, weduwe van Boelaar, enz., haar zoon Daniël van Bouchout, heer van Boelaar, Schendelbeek, enz., al haar leen- en tinsgoederen heeft vermaakt, bij gebreke van erfgenamen van Daniël te vererven op Johan van Bouchout, heer van Loenhout, kanunnik ten Dom te Utrecht[353].

Kinderen:

1.         Daniël, volgt V

2.         (waarschijnlijk) Clementia, tr. Jan van Rotselaer, heer van Vorsselair, Perwijs en Retie. Clementia vertegenwoordigde Lodewijk van Leefdael bij de huwelijkse voorwaarden tussen Lodewijk’s zoon Jan en Cornelia van Ranst op 5 maart 1484.

3.             Jan, kanunnik ten Dom te Utrecht en heer van Loenhout.

 

V             Daniël van Bouchout, heer van Boulaer, Schendelbeke, Beverweerd en Odijk, pair van Vlaanderen, kastelein van Brussel, tr. Maria van Luxemburg, dr. van Jacob van Luxemburg, heer van Fiennes, Sottegem, etc., en van Maria van Barlaymont.  

30.11.1473: Jan van Limbeek, schout van Erconden, oorkondt dat voor hem en landgenoten Lubbert van Groenewoud heeft overgedragen aan Johan, broeder van Bouchout, heer van Boelaar, Schendelbeek en Beverweerd, een hoeve land tussen de Rijn den de landscheiding te Werconden[354].

30.11.1473: Jan van Limbeek, schout van Erconden, oorkondt dat voor hem en landgenoten Lubbert van Groenewoud heeft overgedragen aan Johan, broeder van Bouchout, heer van Boelaar, Schendelbeek en Beverweerd, 8 hond land op Hedrikwijk van de Rijn tot over de Trechtweg en 10 hond tussen het dorp en dezelfde weg[355].

23.2.1495: Lodewijk van Leefdael verklaart voldaan te zijn door jonker Daniël van Bouchout, heer van Boelaar, etc., van alle schuldbrieven die hij van jonker Daniël, of wijlen diens vader mag hebben, behalve van brieven betreffende tienden, leen- of eigen goed, de koopbrief van de goederen te Poppendonk, enige nader omschreven schuldbekentenissen en alle obligaties, die Daniëls moeder, Johanna van Vianen van Bouchout en Beverweerd, hem, Lodewijk, gegeven mag hebben[356].

23.3.1512: De Raad van de keizer condemneert Philipe de Lannoy en zijn vrouw Bonne, heer en vrouwe van Lannoy, Rollencourt en Santes enerzijds, en jonker Daniël van Bouchout, heer van Boelaar en Beverweerd anderzijds, tot naleving van het huwelijksverdrag, gemaakt voor Hugues de Lannoy en Maria van Bouchout, waarbij Hugues de heerlijkheid Walengres in het burggraafschap Lille krijgt, zodra het huwelijk gesloten zal zijn, en na de dood van zijn ouders de heerlijkheden Rollencourt, Lannoy en Santes met de bepaling, dat eventuele kinderen, wanneer hun ouders eerder overlijden dan hun grootouders, als erfgenamen in de plaats hunner ouders treden[357].

27.6.1525:

Hendrik, elect van Utrecht, hertog van Beieren, beleent Daniël van Bouchout, heer van Boelaar, met het huis Beverweerd met de hofstede en 40 morgen land, strekkende van de Rijn, waaraan het huis staat, tot de Meer en aan de bovenzijde begrensd door de hofstede Ten Veen, 2 hoeve land daarbij gelegen met dagelijks gerecht, tijns en tienden, 12 morgen land naast Beverweerd over de Rijn waar de molen op staat, geheten de Weerd, met dagelijks gerecht, enz., een tiende geheten Schoonoversveld, tudden de Rijn en de Meer, grenzende aan Ten Veen, de visserij en de zwanendrift in de Minne van de Hoelrebrug tot Pauwes culen, behorende bij het huis Beverweerd, voorts met het goed te Zoogwijk in het kerspel Odijk met dagelijks gerecht, enz., het goed Ten Rijn in Bunnik met dagelijks gerecht, een viertel land in het land van IJsselstein naast Eiteren over de IJssel met kil en de tol op Odijker brug[358].

Kinderen:

1.         Maria, volgt VI

2.         Francoise, tr. Richard, des H.R. Rijksheer de Merode, heer van Frents, Mompertingen, Chatineau en Jouchout, zn. van Reinholt van Merode en Adriana van den Bosch.

 

VI            Maria van Bouchout,   overleden 13.7.1563, tr. 1512 Hugues de Lannoy, heer van Lannoy,

Rollencourt en Santes, geb. 1486, overl. 21.4.1528. Ze hertrouwt Henri de Hornes, burggraaf van St. Winoxbergen.

 

14.6.1532:

Mary van Bouchout, vrouwe van Boulaer, met Hendrik van Heurne, burggraaf van St. Winoxbergen, haar echtgenote en momber, verbinden het huis Beverweerd te Werkhoven met 40 morgen land ten gunste van Johan van Leefdael, drost van Montfoort, zoon van heer Johan, ridder,(dit moet Jan van Leefdael zijn, die tr. Cornelia van Ranst) wegens zekere “erfloss aen sekere landen, bouwinge ende goederen”, volgens acte van condemnatie van het Hof Provinciael.

Kinderen:

1.                Francoise, volgt VII

 

VII                Francoise de Lannoy, erfvrouwe van Lannoy, Rollencourt, Santes, Tronchiennes, Bourbourg, Boelaar, Odijk, enz., geb. 1513, overl. 1562, tr. 16.4.1531 Maximiliaan van Egmond, graaf van Buren, generaal van keizer Karel V, ridder in de Orde van het Gulden Vlies 1531, volgde in 1539 zijn vader op als graaf van Buren en Leerdam, heer van Ijsselstein, St. Maartensdijk, Kortgene, Kranendonk en Jaarsveld. Werd in 1540 stadhouder van Friesland en kreeg voor zijn militaire prestaties in 1546 van de keizer het graafschap Teckelenburg. Hij overleed aan een halsgezwel te Brussel op 24.12.1548, gekleed in volle wapenrusting en omringd door zijn vrienden en bedienden, in de hofdzaal van zijn paleis.

Kinderen:

1.             Anna, volgt VIII

 

VIII         Anna van Egmond, geb. te Grave in maart 1533, overl. Breda 24.3.1558, gravin van Buren en Leerdam, vrouwe van Ijsselstein, St. Maartensdijk, Kortgene, Kranendonk en Jaarsveld, tr. Buren 8.7.1551 Willem I de Zwijger, graaf van Nassau, prins van Oranje, baron van Breda, enz., geb. Slot Dillenburg 24.4.1533, ridder in de orde van het Gulden Vlies, stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, na 1568 de leider der opstand tegen Spanje, Vader des Vaderlands, doodgeschoten te Delft 10.7.1584, zoon van Willem de Rijke, graaf van Nassau, en van Juliana van Stolberg.

 

 

Relaties tussen Beverweerd/Bouchout en Leefdael

 

14.5.1465 (blijkend uit een verklaring van Cornelis Booth dat hij de originele akte heeft gezien en gelezen):

Johan van Bouchout en Johanna van Vianen van Beverweerd verkopen aan hun zwager Danijs van Leefdael 12 Rijnse guldens jaarlijks uit het goed te Ginkel.

 

21.8.1469 (blijkend uit een verklaring van Cornelis Booth dat hij de originele akte heeft gezien en gelezen):

Johan van Bouchout en Johanna van Vianen van Beverweerd verkopen aan hun neef Lodewijk van Leefdael 11 Rijnse guldens jaarlijks uit het goed te Ginkel.

 

3.12.1471:

Lodewijk van Leefdael, wordt na opdracht door Johan van Bouchout (waarsch. de echtgenoot van Johanna van Vianen van Beverweerd), beleend met 2 blokken tienden te Werkhoven.

 

5.3.1484:

Clementia van Bouchout (dr. van Johanna van Vianen van Beverweerd), echtgenote van Jan van Rotselaer, heer van Vorsselair, Perwijs en Retie vertegenwoordigt Lodewijk van Leefdael bij de huwelijkse voorwaarden tussen Lodewijk’s zoon Jan en Cornelia van Ranst.

(Opmerkelijk is het feit dat in het handschrift in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel in de processtukken betreffende de zaak tussen de Lannoy en de familie van Leefdael melding wordt gemaakt van het feit dat de oudste tak der Van Leefdaels was “gevallen in connouillie” door Elisabeth, erfdochter van Leefdael, gehuwd met Willem, heer van Petershem en vandaaruit in de Merode en dat de tweede tak der Leefdaels, baronnen van Bierbeek (dit moet de “tak van de Arnolds” zijn) was “gevallen in connouillie” doordat de erfdochter huwde aan de heren van Vorsselair  en vandaar aan die van Arenberg.)

 

13.8.1472:

Na opdracht door Johan Knoep wordt Lodewijk van Leefdael beleend met 5 morgen land met de dagelijkse gerechten, tinsen en heiden alse gelegen zijn te Werkhoven.

 

23.2.1495: Lodewijk van Leefdael verklaart voldaan te zijn door jonker Daniël van Bouchout, heer van Boelaar, etc., van alle schuldbrieven die hij van jonker Daniël, of wijlen diens vader mag hebben, behalve van brieven betreffende tienden, leen- of eigen goed, de koopbrief van de goederen te Poppendonk, enige nader omschreven schuldbekentenissen en alle obligaties, die Daniëls moeder, Johanna van Vianen van Bouchout en Beverweerd, hem, Lodewijk, gegeven mag hebben[359].

 

14.6.1532:

Mary van Bouchout, vrouwe van Boulaer, met Hendrik van Heurne, burggraaf van St. Winoxbergen, haar echtgenote en momber, verbinden het huis Beverweerd te Werkhoven met 40 morgen land ten gunste van Johan van Leefdael, drost van Montfoort, zoon van heer Johan, ridder,(dit moet Jan van Leefdael zijn, die tr. Cornelia van Ranst) wegens zekere “erfloss aen sekere landen, bouwinge ende goederen”, volgens acte van condemnatie van het Hof Provinciael.

 



[1]  Waar melding wordt gemaakt van “Van Spaen”, wordt bedoeld het door W.A. Rijksvrijheer van Spaen geschreven werk “Historie der Heeren van Amstel, van IJsselstein en van Mijnden, tot opheldering van Wagenaar”, Den Haag 1807. Vermelde blz.nummers verwijzen naar dit boek.

[2]  OSU, nr. 273.

[3]  OSU, nr. 280, d.d. 9.8.1108. Aangezien er in die periode geen andere getuigen voorkomen met dezelfde voornaam, lijkt het Wolfgerus van Amstel te betreffen.

[4]  OSU, nr. 319. Wordt vermeld als “Wlfgerus de Amestelle”.

[5]  OSU, nr. 320, d.d. 8.7.1126.

[6]  OSU, nr. 331, d.d. 1131, voor 23 augustus.  De getuigen betreffen “clerici et laici, liberi et ministeriales”. Er is echter geen duidelijke splitsing in de de rij getuigen aangegeven, doch uit het feit dat Egbert vrij achteraan in de rij staat, behoort hij waarschijnlijk tot de “ministeriales”.

[7]  OSU, nr. 333, d.d. 1131, voor 23 augustus.  Als vierde persoon na Egbert in de rij der getuigen wordt Godfried van Amstel genoemd.

[8]  OSU, nr. 383, d.d. 7.10.1143. Vermeld onder de “leke-getuigen”.

[9]  OSU, nr. 388, d.d. 18.10.1145.

[10]  OSU, nr. 389, d.d. 18.10.1145.

[11]  OSU, nr. 392. Vermeld onder de “leke-getuigen”.

[12]  OSU, nr. 414, d.d. 1156, tussen 9 maart en 18 juni.

[13]  OSU, nr.448, d.d. 25.11.1165.

[14]  OSU, nr. 462. “..quod Eggebertus de Amestella ecclesie sancti Martini et mihi intolerabiles injurias intulit, omne servicium, quod ipsa ecclesia de jure debuit habere in Amestella ..”

[15]  OSU, nr. 472, d.d. 12.10.1171.

[16]  OSU, nr. 473, d.d. 1172, tussen 18 juni en 24 september. “Ministeriales: Ekbertus de Amestelle, filius ejus Heinricus, ..”

[17]  OSU, nr. 485, d.d. 1176, tussen 9 maart en 18 juni. Vermeld onder de “ministeriales”.

[18]  OSU, nr. 488. Vermeld onder de “ministeriales”.

[19]  OSU, nr. 495, d.d. 1178, voor 9 maart; vermeld onder de “leken”. En OSU, nr. 498, d.d. 9.4.1178, eveneens onder de “leken” vermeld.

[20]  OSU, nr. 518.

[21]  OSU, nr. 542. Onder de “leke-getuigen” worden o.m. vermeld: “.., Giselberto, Egberto et Egidio fratribus de Amestelle, ..”

[22]  OSU, nr. 551. Vermeld onder de “ministeriales”.

[23]  OSU, nr. 554, d.d. 22.1.1201. In de getuigenrij staat Gijsbrecht na Hubert van Bosinchem en voor Gerard van Voorne.

[24]  OSU, nr. 581. In de getuigenrij genomed voor Hubert van Bosinchem.

[25]  OSU, nr. 582, d.d. tussen 1207 en voor 5 december 1212. Vermeld onder de “leke-getuigen”.

[26]  OSU, nr. 590. Vermeld onder de “leke-getuigen”.

[27]  OSU, nr. 598, voor 24 september. In de getuigenrij vermeld na Alard van Buren en voor Hubert van Bosinchem.

[28]  OSU, nr. 605, na 5 december 1212 en voor 1 september 1215.

[29]  OSU, nr. 611, d.d. 14.10.1213; “.., Giselberto et Egberto fratribus de Amstelle, ..”.  OSU, nr. 613; “.., Ghisebert ende Egbert broeders van Amstelle,..”.  OSU, nr. 614; “.., Giselbertus en Ecbertus gebroeders van Amestelle, ..” (voor Hubert van Bosinchem).

[30]  OSU, nr. 629, d.d. 1216, voor 23 juli. “.., Giselbertus en Ecbertus gebroeders van Amestelle, ..”.

[31]  OSU, nr. 612, d.d. 18.10.1213. “.., Giselberto et Egberto fratribus de Amestelle, ..”.

[32]  OSU, nr. 629, tussen 23 juli 1216 en 1220.

[33]  OSU, nr. 642, d.d. 1217, voor 23 juli.

[34]  OSU, nr. 707, d.d. september 1222.

[35]  OSU, nr. 721, d.d. 22.7.1224. Vermeld onder de getuigenrij  “nobilem virum”.

[36]  OSU, nr. 737, d.d. 1225, tussen 23 juni en 23 september. “.., Giselberto de Amestelle et Egidio fratre eius, ..”

[37]  OSU, nr. 757, d.d. 1227, voor 18 maart. “Ministerialibus Giselberto de Amerstelle, Egidio fratre suo, ..”

[38]  OSU, nr. 764, d.d. 25.5.1227.

[39]  OSU, nr. 673, d.d. 12.3.1220.

[40]  OSU, nr. 722, d.d. 1224, na 22 juli. “Et super fideiussores dedi: nobilem virum Alardum de Buren, Ghiselbertum de Amestelle, ..”,  “sigillis domini Theodorici, decani sancti Johannis in Traiecto, et fratris eius Ghiselberti de Amestelle, nobilis viri Alardi de Buren, ..”

[41]  OSU, nr. 730.

[42]  OSU, nr. 738, d.d. 19.10.1225.

[43]  OSU, nr. 740, d.d. 26.1.1226.

[44]  OSU, nr. 748, d.d. 29.3.1226. Onder de getuigen o.m. Egidius van Amstel.

[45]  OSU, nr. 906, d.d. 14 december 1226. OSU geeft echter 1236 aan, terwijl Van Spaen de oorkonde zelf dateert op 1226, en deze ook geheel heeft opgenomen in zijn boek, met daarbij een vertaling van de Latijnse tekst. Nog nakijken wie nu gelijk heeft; e.e.a. is crusiaal voor de juiste datering van de dood van Gijsbrecht II !  Ook de tekst van de oorkonde volgens Van Spaen vergelijken met die zoals weergegeven in OSU.

[46]  OSU, nr. 771, d.d. 1.10.1227.

[47]  OSU, nr. 784, d.d. 1228, na 20 augustus. “Giselberto de Amestelle, ...   .., et aliis quampluribus ecclesie nostre ministerialibus”. In navolging van Van Spaen wordt er hier van uit gegaan dat de vermeldingen na de slag bij Coevorden, de zoon van Gijsbrecht II betreffen. Van Spaen merkt terecht op dat de in 1235 vermelde Gijsbrecht, heer van Amstel, die met het kapittel van St. Marie te Utrecht een verdrag sloot, de zoon zal zijn van Gijsbrecht II van Amstel. Als getuige traden namelijk op: Egidius van Mynden, Gijsbrecht van Amstel de jonge, zoons van Egidius van Mynden, Willem van Amstel en Willem van Mynden. Er wordt geen gewag gemaakt van een zoon Gijsbrecht van de heer van Amstel, waaruit blijkt dat Gijsbrecht II dan reeds overleden is.

[48]  OSU, nr. 801, d.d. 22.5.1230. “.., Giselbertus de Amestelle, ..   .., milites, ...”

[49]  OSU, nr. 813, d.d. 19.2.1231.

[50]  OSU, nr. 816, d.d. 4.8.1231.

[51]  OSU, nr. 841, d.d. 24.8.1232.

[52]  OSU, nr. 846.

[53]  OSU, nr. 862, d.d. 22.7.1233. “Giselbertus de Amestell, ...   ..., alii vassali et ministeriales ecclesie nostre”

[54]  OSU, nr. 849, d.d. 10.2.1233.

[55]  OSU, nr. 882, d.d. 6.5.1235. Met de geschonden zegel van Gijsbrecht van Amstel. Onder de getuigen: “ex latero parte: ipco dominus Giselbertus de Amestelle, dominus Egidius de Minden, dominus Giselbertus junior de Amestelle milites, filii predicti domini Egidii de Minden, Ecbertus de Amestelle, Heino sculteto dominorum de sancta Maria et scabini, videlicet Willelmus de Amestelle, Willelmus de Minden, ....”

[56]  OSU, nr. 928, d.d. 11.11.1238 en OSU, nr. 932, d.d. 16.12.1238. Bij de laatste vermeld als: “.., Giselberto seniore et Giselberto filio eiusdem, ..”. Volgens de voetnoot in  het OSU zou het Van Amstel betreffen.

[57]  OSU, nr. 932, d.d. 16.12.1238. “.., Giselberto seniore et Giselberto filio eiusdem, ..” Volgens een voetnoot in OSU zou het hier Van Amstel betreffen.

[58]  OSU, nr. 940, d.d. 30.12.1239. “.., Giselberti iunioris de Amestelle, ..”

[59]  OSU, nr. 955, d.d. 20.9.1240. “.., Giselbertus de Amestelle junior, ..”

[60]  OSU, nr. 973, d.d. 19.12.1241. De elect Otto verleent aan het kappittel van Oudmunster, ter vermeerdering van zijn erf buiten de reeds vroeger geschonken ruimte, nog vier voeten gronds. “Otto, Dei gratia Traiectensis electus, omnibus presentia visuris notum facimus, quod de consilio fidelium nostorum E(verardi) prepositi Tylensis, G(isilberti) Sancti Johannis decani et G(isilberti) de Amestelle militis, ..”

[61]  OSU, nr. 1014, d.d. mei 1244, “.., Giselberto de Amestelle, ..”, en OSU, nr. 1019, d.d. 23.8.1244, direkt na de graaf van Holland :“.., Giselbertus dominus de Amestell, ..” en als twee na laatste in de rij: “Gerardus de Amestel”.

[62]  OSU, nr. 1060, d.d. 12.12.1245. (E.e.a. wordt oorkondelijk verklaard door bisschop Otto.) “.., in manus fidelis nostris Ghijsberti de Amestelle jus feodale, ..”

[63]  OSU, nr. 1106, d.d. 6.2.1247.

[64]  OSU, nr. 1109, d.d. 1.3.1247.

[65]  OSU, nr. 1152, d.d. 5.12.1247. “.., G(iselberti) domini de Amestelle, ..”  Volgens het OSU zou het, naar mijn mening onterecht,  Gijsbrecht jr. (dus de IV) betreffen.

[66]  OSU, nr. 1197, d.d. 1249, na 8 april. “.., Giselberto de Amestelle, ..”

[67]  OSU, nr. 1208, d.d. 31.12.1248/49. “.., domini Giselberti dicti de Amestele, ..”

[68] De naam van de echtgenote van Gijsbrecht III vam Amstel wordt nergens expliciet vermeld.  Van Spaen, in zijn “Historie der Heeren van Amstel, van IJsselstein en Mijnden”, vermeldt op blz. 30: “Alleen uit eene verklaring, door Floris van Oegstgeest in 1364 gegeven, verneemt men, dat de Heer van Amstel en zijn broeder Willem, Proost van S. Jan, moeije kinders waren van zijnen vader Heer Willem van Oegsgeest, Ridder; derhalve is waarschijnlijk de vrouw van Gijsbrecht den III, uit het geslacht van Oegstgeest gesproten”. Als bron vermeldt Van Spaen: Mieris III, 172. Zie voorts J.A.Coldeweij, “De heren van Kuijc 1096-1400”, blz. 88-90. Uit de verklaring van 1364 blijkt voorts dat burggraaf Hendrik van Leiden (Kuyc) een oom was van Floris van Oegstgeest. Uit het feit dat in de verklaring slechts sprake is van Gijsbrecht IV en Willem van Amstel, concludeert Coldeweij dat deze Arnoud uit een ander huwelijk stamt, waarbij Coldeweij, gezien de naam Arnold (van IJsselstein),  denkt aan een huwelijk met een dochter van  Arnold II van Heusden. Echter zou in dat geval, zoals G.J.J. van Wimersma Greidanus in zijn “Kwartieren Greidanus-Jaeger in stamreeksen” op blz. 690 vermeldt, huwelijksdispensatie nodig zijn geweest voor het huwelijk tussen Gijsbrechts’ kleinzoon Gijsbrecht (zoon van Arnold van IJsselstein) met Bertha van Heukelom. Greidanus blijft echter  het huwelijk van Gijsbrecht IV van Amstel met een dochter uit het huis Van Heusden vermelden, waarbij zoon Arnold dan als moeder de dochter van de heer van Kuyc zou hebben. Ik denk echter dat, gezien de terechte opmerking van Greidanus over de  noodzakelijke huwelijksdospensatie voor diens kleinzoon, er helemaal geen huwelijk is geweest tussen Gijsbrecht III van Amstel met een Van Heusden. Coldeweij heeft dat slechts gesuggereerd omdat Floris van Oegstgeest in 1364, dus bijna 100 jaar na dato (!), alleen gewag maakt van Gijsbrecht en Willem van Amstel en niet van hun broer Arnold. Behalve het feit dat Floris zijn uitspraak bijna 100 jaar na dato deed, en dus zeker niet volledig in zijn uitspraak hoeft te zijn, verzuimde hij ook de zuster Elisabeth van Amstel te vermelden; weliswaar een zuster, maar dan wel één die met de bekende Herman VI van Woerden was gehuwd. Dit is een duidelijk voorbeeld hoe e.e.a. een eigen leven kan gaan leiden. Een ander  huwelijk van Gijsbrecht IV waaruit Arnold zou stammen blijft natuurlijk (vooralsnog) tot de mogelijkheden behoren.

[69]  OSU, nr. 1275, d.d. 22.11.1252.  De gebroeders uten Goye verklaren geen rechten te op zekere goederen en doen afstand ten behoeve van het kapittel van St. Marie te Utrecht. Het OSU vermeldt onder de getuigen Gerardi de Amestelle, maar het heeft er alle schijn van dat Van Spaen toch gelijk heeft.

[70]  OSU, nr. 1413, d.d. 12.6.1257.  “ordinamus etiam, quod coadiutores domini Florentii, videlicet dominus Ghilebertus de Goye, ..  .., Ghilebertus de Hamestelle, dominus Simon de Harlem, dominus G. de Hamestelle, .. .., canocicus,...”

[71]  OSU, nr. 1507, d.d. 7.11.1259. “.., Ghijsberti de Amestelle sigillis dicto monasterio sancti Lauwerenci in Oestbroeck tradidimus communitam.”

[72]  OSU, nr. 1550, d.d. 25.7.1261. “Domino Ghyselberto de Amstel et aliis, qui in terra comitis Gelrensis agitati fuerent, emenda fiet condigna per iusticiam cel amorem et ipsis ablata, de quibus manifesta est veritas, restituentur, de quibus autem discordant, secundum iusticiam satisfiet.  ...”   “.. Item dominus de Amestell, Philippus de Rininghe et eorum consanguinei et omnes de terra Traiectensi comitis adiutores monebunt bonis et iure, ..”

[73]  OSU, nr. 1649, tussen 1264 en 1291.

[74]  OSU, nr. 1651, d.d. 8.1.1265.

[75]  OSU, nr. 1674, d.d. 27.7.1265.

[76]  OSU, nr. 1677, d.d. 10.10.1265.

[77]  OSU, nr. 1711, d.d. 5.4.1267.

[78]  OSU, nr. 1719, d.d. 9.6.1267.

[79]  OSU, nr. 1883, d.d. februari 1275.

[80]  OSU, nr. 2346, d.d. 25.8.1288.

[81]  OSU, nr. 1741, d.d. 21.7.1268.

[82]  OSU, nr. 1856, d.d. 20.12.1273.

[83]  OSU, nr. 1956, d.d. 1277, voor 10 december.

[84]  OSU, nr. 1874, d.d. 16.8.1274.

[85]  OSU, nr. 1904, d.d. 25.4.1276. Medezegelaars: “domini Wilhelmi, prepositi et archidiaconi ecclesie beati Iohannis in Traiecto, et domini Arnoldi de Amstelle, militus, fratrum nostorum,..”

[86]  OSU, nr. 1942, d.d. 23.6.1277.

[87]  OSU, nr. 1970, d.d. 6.4.1278.

[88]  OSU, nr. 2247, d.d. 27.10.1285.

[89]  OSU, nr. 2248, d.d. 27.10.1285.

[90]  OSU, nr. 2255, d.d. 11.11.1285.

[91]  OSU, nr. 21.3.1288. “Ende dit siin die borghen, die ic den grave gheset hebbe ute dien bisdome van Utrecht: haer Gisebrecht, die here van Amestelle, haer Arnout, zijn broder, haer Gisebrecht uten Goye, haer Hubrecht van Everdingen, haer Hubrecht, siin sone, haer Gisebrecht van Scalkewiic, haer Henric van Stoutenberch, haer Didderic van Zulen, haer Gisebrecht uten Goye, Hubrecht van Wlven, Wouter van Langherake, Amelis van Minden, Gisebrecht van den Busche ende Gerard van der Vliete, ..”

[92]  OSU, nr. 1746, d.d. 23.10.1268. “.. , extunc ipso facto recognosco seniorum heredem meum penam centum librarum Traiectensium incurrisse, et ... ..., Giselbertus, dominus de Amestelle, ... ..., fideiussorus super hiis omnibus et singulis constituti,...”

[93]  OSU, nr. 1781, d.d. 28.6.1270.

[94]  OSU, nr. 1819, d.d. 5.2.1272 en OSU, nr. 1828, d.d. 1.7.1272.

[95]  OSU, nr. 1843, d.d. 30.5.1273.

[96]  OSU, nr. 1851, d.d. 7.9.1273.

[97]  OSU, nr. 1878, d.d. 19.12.1274. Onder de getuigen en medezegelaars bevinden zich Jan van Kuyc, Zweder van Bosinchem en Ernst van Wulven.

[98]  Drossaers, R10, d.d. 9.9.1277.

[99] Gijsbert is waarschijnlijk overleden in 1343, tussen 20 maart (de laatste keer dat zijn zoon voorkomt als Arnold van IJsselstein) en 2 oktober (de eerste keer dat zijn zoon voorkomet als Arnold, heer van IJsselstein).

[100]  Drossaers, R16, d.d. 15.8.1296.

[101]  Drossaers, R22, d.d. 16.6.1299.

[102]  Drossaers, R23, d.d. 21.5.1300.

[103]  Drossaers, R27, d.d. 6.1.1309.

[104] Archief Graven van Holland, Inv.Nr. 790, d.d. 7.1.1309; gedrukt v.Mieris, II, 71.

[105] Drossaers, R33, d.d. 27.8.1310.

[106] Drossaers, R34, d.d. 14.10.1310.

[107] Drossaers, R36, d.d. 7.6.1311.

[108] Drossaers, R37, d.d. 7.6.1311.

[109] Drossaers, R38, d.d. 10.6.1311.

[110] Drossaers, R40, d.d. 8.7.1311.

[111] Drossaers, R39, d.d. 10.6.1311.

[112] Drossaers, R45, d.d. 14.4.1313.

[113] Drossaers, R42, d.d. 14.8.1311.

[114] Drossaers, R43, d.d. 30.4.1312.

[115] Drossaers, R46, d.d. 21.7.1313.

[116] Drossaers, R48, d.d. 1.11.1313.

[117] Drossaers, R52, d.d. 5.7.1314.

[118] Drossaers, R53, d.d. 10.7.1314.

[119] Drossaers, R56, d.d. 21.1.1316.

[120] Drossaers, R62, d.d. 21.3.1318.

[121] Archief heren en graven van Culemborg, R47b, d.d. 2.5.1318.

[122] Drossaers, R63, d.d. 5.9.1318.

[123] Drossaers, R64, d.d. 3.7.1319.

[124]  Drossaers, R66, d.d. 7.11.1319. Coldeweij in “De heren van Kuijc”, blz. 145, 146 en de gehele tekst van de betreffende oorkonde als bijlage C1 op blz. 241.

[125] Coldeweij, “De heren van Kuijc”, bijlage C2, blz. 242, waar de omschrijving van de belening volledig is getranscribeerd.

[126] Archief Graven van Holland, Inv.Nr.793, d.d. 17.10.1321. Gedrukt: Berkelbach, 486.

[127] Drossaers, R72, d.d. 16.2.1322.

[128] Drossaers, R76, d.d. 26.10.1324.

[129] Drossaers, R77, d.d. 24.6.1325.

[130] Drossaers, R78, d.d. 11.5.1326.

[131] Drossaers, R80, d.d. 25.4.1327.

[132] Drossaers, R81, d.d. 31.7.1327.

[133] Drossaers, R84, d.d. 30.7.1328.

[134] Drossaers, R88, d.d. 2.3.1330.

[135] Drossaers, R96, d.d. 17.2.1331.

[136] Drossaers, R101, d.d. 5.3.1334.

[137] Drossaers, R104, d.d. 18.11.1334.

[138] Drossaers, R105, d.d. 11.3.1335.

[139] Drossaers, R108, d.d. 1.12.1335.

[140] Drossaers, R109, d.d. 16.12.1335.

[141] Drossaers, R110, anno 1335.

[142] Drossaers, R111, d.d. 2.4.1336.

[143] Drossaers, R126, d.d. 18.11.1338.

[144] Drossaers, R112, d.d. 6.4.1336.

[145] Drossaers, R113, d.d. 14.5.1336.

[146] Drossaers, R118, d.d. 22.1.1337.

[147] Drossaers, R119, d.d. 8.3.1337.

[148] Drossaers, R123, d.d. 12.8.1337.

[149] Drossaers, R125, d.d. 15.8.1338.

[150] Drossaers, R129, d.d. 23.6.1339.

[151] Drossaers, R131, d.d. 5.1.1340.

[152] Drossaers, R139, d.d. 2.11.1340.

[153] Drossaers, R141, d.d. 17.3.1341.

[154] Drossaers, R149, d.d. 9.5.1342.

[155] Drossaers, R152, d.d. 9.8.1342.

[156] Drossaers, R154, anno 1342.

[157] Drossaers, R159, d.d. 7.5.1343.

[158] Drossaers, R161, d.d. 2.10.1343.

[159] Drossaers, R205, d.d. 28.6.1347.

[160] Drossaers, R331, d.d. 25.11.1365.

[161] Drossaers, R166, d.d. 28.10.1343.

[162] Drossaers, R169, d.d. 18.1.1344.

[163] Drossaers, R106, d.d. 20.6.1335.

[164] Drossaers, R31, d.d. 22.6.1310.

[165] Drossaers, R67, d.d. 18.11.1319.

[166] Drossaers, R34,  d.d. 14.11.1310.

[167] Drossaers, R54, d.d. 20.8.1314.

[168] Drossaers, R59, d.d. 28.11.1316 en Graven van Holland, Inv.Nr. 822. Vidimus van Hendrik Riem, gardiaan van de minderbroeders te Utrecht, 15.5.1318. Gedrukt: v.Mieris, II, 177 en Berkelbach, 342.

[169] Drossaers, R61, d.d. 17.12.1317.

[170] Drossaers, R71, d.d. 30.5.1321.

[171] Drossaers, R73, d.d. 5.2.1323.

[172] Drossaers, R75, d.d. 1.8.1323.

[173] Drossaers, R84, d.d. 2.11.1328.

[174] Drossaers, R86, d.d. 30.11.1328.

[175] Drossaers, R85, d.d. 12.11.1328.

[176] Drossaers, R95, d.d. 3.2.1331.

[177] Drossaers, R98, d.d. 21.4.1332.

[178] Drossaers, R99, d.d. 15.12.1333.

[179] Drossaers, R100, d.d. 11.1.1334.

[180] Drossaers, R102, d.d. 12.8.1334.

[181] Drossaers, R103, d.d. 23.10.1334.

[182] Drossaers, R116, d.d. 16.9.1336.

[183] Drossaers, R117, d.d. 17.9.1336.

[184] Drossaers, R120, d.d. 26.5.1337.

[185] Drossaers, R130, d.d. 29.11.133.

[186] Drossaers, R132, d.d. 14.1.1340.

[187] Drossaers, R133, d.d. 6.2.1340.

[188] Drossaers, R134, d.d. 6.2.1340.

[189] Drossaers, R135, d.d. 10.3.1340.

[190] Drossaers, R136, d.d. 24.5.1340.

[191] Drossaers, R137, d.d. 15.6.1340.

[192] Drossaers, R140, d.d. 13.12.1340.

[193] Drossaers, R145, d.d. 6.3.1342.

[194] Drossaers, R146, d.d. 6.3.1342.

[195] Drossaers, R147, d.d. 6.3.1342. Opmerkelijk is de naam onder de schepenen van Arnold Gijsbertsz. Zijn zegel is toevallig ook het enige wat is overgebleven aan deze oorkonde. Onderzoek van deze zegel zou uit kunnen maken of we hier misschien te maken hebben met een bastaardzoon van Gijsbert, heer van IJsselstein.

[196] Drossaers, R148, d.d. 25.4.1342.

[197] Drosaaers, R152, d.d. 9.8.1342.

[198] Drossaers, R157, d.d. 20.3.1343.

[199] Drossaers, R 162, d.d. 13.10.1343.

[200] Drossaers, R170, d.d. 23.1.1344.

[201] Drossaers, R171, d.d. 12.3.1344.

[202] Drosaaers, 172, d.d. 22.4.1344.

[203] Drossaers, R176, d.d. 14.8.1344.

[204] Archief Graven van Holland, Inv.Nr. 794, d.d. 11.9.1344; afschrift 1552.

[205] Drossaers, R177, d.d. 15.9.1344.

[206] Drossaers, R179, d.d. 16.12.1344.

[207] Drossaers, R181, d.d. 2.1.1345.

[208] Drossaers, R186, d.d. 5.6.1345.

[209] Drossaers, R191, d.d. 11.5.1346.

[210] Drossaers, R194, d.d. 26.8.1346.

[211] Drossaers, R195, d.d. 1.9.1346.

[212] Drossaers, R195a, d.d. 2.9.1346.

[213] Drossaers, R198, d.d. 3.12.1346.

[214] Drossaers, R 199, d.d. 5.12.1346.

[215] Drossaers, R200, d.d. 13.1.1347.

[216] Drossaers, R201, d.d. 3.2.1347.

[217] Drossaers, R204, d.d. 18.4.1347.

[218] Drossaers, R208, d.d. 29.10.1347.

[219] Drossaers, R209, d.d. 21.12.1347.

[220] Drossaers, R211, d.d. 25.1.1348.

[221] Drossaers, R212, d.d. 28.1.1348.

[222] Drossaers, R214, d.d. 2.3.1348.

[223] Drossaers, R215, d.d. 5.5.1348.

[224] Archief heren en graven van Culemborg, R155a, d.d. 18.7.1348.

[225] Drossaers, R219, d.d. 24.11.1348.

[226] Drossaers, R220, d.d. 24.11.1348.

[227] Drossaers, R221, d.d. 24.11.1348.

[228] Drossaers, R224, d.d. 31.1.1349.

[229] Drossaers, R254, d.d. 25.8.1353.

[230] Drossaers, R225, d.d. 8.2.1349.

[231] Drossaers, R226, d.d. 1.3.1349.

[232] Drossaers, R235, d.d. 25.9.1350.

[233] Drossaers, R237, d.d. 18.10.1350.

[234] Drossaers, R242, d.d. 10.11.1351.

[235] Drossaers, R243, d.d. 30.1.1352.

[236] Drossaers, R244, d.d. 7.2.1352.

[237] Drossaers, R250, d.d. 24.4.1353.

[238] Drossaers, R252, d.d. 15.6.1353.

[239] Drossaers, R257, d.d. 23.4.1354.

[240] Drossaers, R259, d.d. 24.5.1354.

[241] Drossaers, R260, d.d. 24.5.1354.

[242] Drossaers, R261, d.d. 15.8.1354.

[243] Drossaers, R266, d.d. 10.5.1355.

[244] Drossaers, R271, d.d. 29.9.1356.

[245] Drossaers, R273, d.d. 25.1.1357.

[246] Drossaers, R281, d.d. 15.3.1358.

[247] Drossaers, R282, d.d. 25.3.1358.

[248] Drossaers, R283, d.d. 20.8.1358.

[249] Drossaers, R287, d.d. 14.3.1359.

[250] Drossaers, R289, d.d. 14.9.1359.

[251] Drossaers, R290, d.d. 21.9.1359.

[252] Drossaers, R291, d.d. 21.9.1359.

[253] Drossaers, R292, d.d. 30.3.1360.

[254] Drossaers, R293, d.d. 1.10.1360.

[255] Drossaers, R296, d.d. 15.8.1361.

[256] Drossaers, R302, d.d. 29.12.1361.

[257] Drossaers, R303, d.d. 8.3.1362.

[258] Drossaers, R307, d.d. 9.8.1362.

[259] Drossaers, R304, d.d. 23.5.1362.

[260] Drossaers, R305, d.d. 16.6.1362.

[261] Drossaers, R306, d.d. 25.6.1362.

[262] Drossaers, R308, d.d. 19.9.1362.

[263] Drossaers, R309, d.d. 1.12.(ca.1362).

[264] Drossaers, R310, d.d. 12.2.1363.

[265] Drossaers, R311, d.d. 12.2.1363.

[266] Drossaers, R312, d.d. 12.2.1363.

[267] Drossaers, R90, d.d. 20.5.1330.

[268] Drossaers, R91, d.d. 30.5.1330.

[269] Drossaers, R207, d.d. 21.9.1347.

[270] Drossaers, R314, d.d. 5.4.1363.

[271] Drossaers, R320, d.d. 11.6.1364.

[272] Drossaers, R321, d.d. 12.9.1364.

[273] Archief heren en graven van Culemborg, R235, d.d. 6.7.1371.

[274] Drossaers, R210, d.d. 28.12.1347.

[275] Drossaers, R223, d.d. 17.12.1348.

[276] Drossaers, R229, d.d. 13.7.1349.

[277] Drossaers, R268, d.d. 30.3.1356.

[278] Wouterina P. Bouwman, “Het Henegouwse-Hollands riddermatig middeleeuws heslacht De Sars/Van Zaers”, NL 1993, speciaal k.207-211.

[279] Drossaers, R202, d.d. 16.2.1347.

[280] Drossaers, R203, d.d. 16.2.1347.

[281] Drossaers, R317, d.d. 5.3.1364.

[282] Drossaers, R41, d.d. 14.8.1311.

[283] Drossaers, R 89, d.d. 11.4.1330.

[284] Drossaers, R107, d.d. 13.11.1335.

[285] Drossaers, R144, d.d. 25.6.1341.

[286] Drossaers, R164, d.d. 21.10.1343.

[287] Drossaers, R165, d.d. 28.10.1343.

[288] Drossaers, R167, d.d. 16.11.1343.

[289] Drossaers, R168, d.d. 1.12.1343.

[290] Drossaers, R192, d.d. 21.7.1346.

[291] Drossaers, R193, d.d. 21.8.1346.

[292] Drossaers, R236, d.d. 17.10.1350.

[293] Archief Graven van Holland, Inv.nrs. 1668-1671, rekeningen van Gijsbert van IJsselstein, ridder, 1358-1361.

[294] Drossaers, R265, d.d. 6.5.1355.

[295] Drossaers, R274, d.d. 17.3.1357.

[296] Drossaers, R288, d.d. 1.4.1359.

[297] Drossaers, R288, d.d. 1.4.1359.

[298] Drossaers, R294, d.d. 20.2.1361.

[299] Drossaers, R295, d.d. 1.3.1361.

[300] Drossaers, R368, d.d. 4.3.1371.

[301] Drossaers, R386, anno ca.1375, voor 17 maart.

[302] Drossaers, R387, anno ca. 1375.

[303] Drossaers, R388, anno ca. 1375,

[304] Drossaers, R297, d.d. 16.10.1361.

[305] Drossaers, R298, d.d. 21.10.1361.

[306] Drossaers, R115, d.d. 26.7.1336.

[307] Drossaers, R200, d.d. 13.1.1347.

[308] Drossaers, R247, d.d. 2.3.1353.

[309] Drossaers, R318, d.d. 12.3.1364.

[310] Drossaers, R356, d.d. 10.9.1369.

[311] Drossaers, R377, d.d. 25.3.1375.

[312] NL 1975, “De adellijke geslachten Van Culemborg en Van Vianen, stammende uit de heren van Bosinchem, alsmede de uit de Van Culemborg’s spruitende heren van Boxmeer”, door dr. A.W.E. Dek, echter zonder bronvermelding van Dek.

[313] NL 1975, “De adellijke geslachten Van Culemborg en Van Vianen, stammende uit de heren van Bosinchem, alsmede de uit de Van Culemborg’s spruitende heren van Boxmeer”, door dr. A.W.E. Dek, echter zonder bronvermelding van Dek.

[314] Drossaers, R241, d.d. 1.10.1351.

[315] Drossaers, R267, d.d. 27.2.1356.

[316] Drossaers, R285, d.d. 22.12.1358.

[317] Drossaers, R333, d.d. 1.9.1366.

[318] Drossaers, R347, d.d. 4.4.1368.

[319] Drossaers, R347, d.d. 22.4.1368.

[320] Drossaers, R355, d.d. 1.2.1369.

[321] Drossaers, R365, d.d. 3.5.1370.

[322] Drossaers, R384, d.d. 10.12.1375.

[323] Drossaers, R385, d.d. 13.12.1375.

[324] Drossaers, R398, d.d. 23.10.1378.

[325] Drossaers, R406, d.d. anno 1381.

[326] Drossaers, R423, d.d. 22.2.1385.

[327] Drossaers, R429, d.d. 30.3.1386.

[328] Drossaers, R446, d.d. 10.2.1389.

[329] Drossaers, R465, d.d. 2.11.1392.

[330] Drossaers, R469, d.d. 12.6.1393.

[331] Archief van de Graven van Holland, Inv.nr.230, f  90.

[332] Drossaers, R343, d.d. 13.1.1368.

[333] Drossaers, R446, d.d. 10.2.1389.

[334] Drossaers, R461, d.d. 28.2.1392.

[335] Drossaers, R495, d.d. 14.2.1397.

[336] Culemborg, R395, d.d. 2.1.1398.

[337] Drossaers, R507, d.d. 8.1.1398.

[338] Drossaers, R551, d.d. 3.5.1403.

[339] Drossaers, R570, d.d. 9.10.1406.

[340] Culemborg, R515, d.d. 1.6.1409.

[341] Culemborg, R586, d.d. 11.8.1414.

[342] Culemborg, R720, d.d. 7.4.1421.

[343] Drossaers, R702, d.d. 6.12.1424.

[344] Culemborg, R875, d.d. 23.1.1429.

[345] Drossaers, R820, d.d. 26.11.1437.

[346] Uit het manuscript Le Fort, waarvan een kopie aanwezig is in het Centraal Bureau voor Genealogie te ‘s Gravenhage blijkt dat:

I              Daniël, heer  van Bouchout, Humbeek, Loenhout, burggraaf van Brussel, door opdracht van Jan, heer van Bouchout, in 1371, tr. Isabeau Eggloy, dr. van Wautier en Isabelle van Empelen. Hieruit:

II             Daniël van Bouchout, overl. in of voor 1432, tr. Maria de Guistelles. Onduidelijk is de relatie met Gilles van Bouchout.

[347] Drossaers, R859, d.d. 19.8.1441.

[348] Drossaers, R860, d.d. 23.8.1441.

[349] Drossaers, R938, d.d. 20.1.1454.

[350] Drossaers, R1078, d.d. 6.3.1470.

[351] Drossaers, R1118, d.d. 1.2.1473.

[352] Drossaers, R1212, d.d. 12.3.1482.

[353] Drossaers, R1289, d.d. 27.7.1487.

[354] Drossaers, R1120, d.d. 30.11.1473.

[355] Drossaers, R1121, d.d. 30.11.1473.

[356] Drossaers, R1364, d.d. 23.2.1495, inv.nr. 1204.

[357] Drossaers, R1486, d.d. 23.3.1512.

[358] Drossaers, R1584, d.d. 27.6.1525.

[359] Drossaers, R1364, d.d. 23.2.1495, inv.nr. 1204.

 

Ingezonden door Philip van Dael

Van Amstel                 - 

IJsselstein