Manuscript Sijen

algemeen

In de collectie handschriften van de Hoge Raad van Adel te ‘s-Gravenhage bevindt zich onder inv.nr. 581 een 8” bandje (vermoedelijk in de 19de eeuw verworven  uit de collecties van Jhr. Jan Willem van Sypesteijn (18 16- 1866), dat aantekeningen bevat van grafzerken en borden in kerken in Holland en Utrecht. Het manuscript dateert van halverwege de 17de eeuw, maar het is niet duidelijk wie de auteur was. Mogelijk was dit Joris Pietersz. Sijen († 1666), over wiens genealogische en heraldische werkzaamheden echter niets bekend is; dit in tegenstelling tot die van zijn kleinzoon Dr. Arent (Arnold) Sijen (1640-1678), Hoogleraar te Leiden, die door Philips van Leefdael in zijn aantekeningen ‘een liefhebber van waepenen’ genoemd werd (zie: E. van Varenbergh, Aantekeningen van enen geslachtkundigen der zeventiende eeuw, Gent, 1873: blz. 7). De gedachte dat genoemde Joris Pietersz. Sijen de auteur van dit handschrift (en vermoedelijk van nog veel meer manuscripten in de collecties van de Hoge Raad van Adel) was, is gebaseerd op het voorkomen van zijn eigendomskenmerk op een soortgelijk manuscript uit de collectie Van Spaen (inv.nr. 252;4, eveneens bij de Hoge Raad van Adel), dat niet alleen zeer grote overeenkomst vertoont in schrift, maar ook in de uiterlijke vorm van het bandje alsook op het feit, dat in beide bijzonder veel Utrechtse gegevens voorkomen.

Genealogie Sijen
I. Joris Pietersz. Sijen, overl. Amsterdam (?) 9 sept. 1666, tr. Marijtge Bosch, overl. Amsterdam (?) 19 mei 1662, dr. van Arent Dirksz. Bosch, koopman, en Elisabeth Jansdr. (de Vogel). [zie NL 1964, 336]

    Hij woonde te Amsterdam op de hoek van de Kloveniersburgwal en de Staalstraat (aantekening in een hs. HrvA, collectie V, 252, nr 1.) Zie HRVA, coll. Van der Lely, nr. 1170 voor ms genealogie.
Uit dit huwelijk:
1. Pieter, volgt IIa
2. Cornelis Sijen, tr. 5 febr. 1668 Anna de Flines
3. Elisabeth Sijen, overl. 27 aug. 1671, tr. 27 febr. 1669 Lodewijk van Erpekum
4. Dr. Arnoldus Sijen, volgt IIb
5. Jan Sijen, te Oudenbosch, rentmeester van Fijnaert, overl. 11 maart 1689, tr. Margriet Oem, dr. van Jan Oem (overl. 1653) Danielszn en Alijd van Wielericks
Zij hadden een zoon, die dr in de medicijnen was. te Leiden
6. Maria Sijen, tr. 29 juni 1672 Jacob van Lennep
7. Margaretha Sijen, overl. 27 april 1680, tr. 18 febr. 1674 Cornelis de Flines

IIa. Pieter Sijen, overl. 2 juli 1669, tr. 7 nov. 1660 Elisabeth Adriaansdr. Corver, geb. 1644, overl. 1720; zij tr. 2de Jan Oets., overl. ca 1690.

    Zie Fam. arch. Van Sypesteyn, dl 1, inv.nrs. 1149 en 1150, om. inzake scheidng tussen de families Oets en Sijen.
    Zie voor zijn nakomelingen: J.L.B. de Murault, De Nalatenschap van den heer Johan van Halmael. Utrecht, 1881, tabel II
Kinderen:
1. Maria Sijen, geb.  8 april 1662,  overl. 3 mei 1687, tr. in 1684 Lacob Linning
2. Pieter Sijen, volgt III.

III. Pieter Sijen, geb. 11 dec. 1661, overl. 30 sept. 1714, tr. 12 sept. 1680 Geertruij Pietersdr. Block, overl. Moskou 11 aug. 1706, dr. van Pieter Block en Cathalijntje Bulsingh; hij tr. 2de Margaretha Lintelo
Kinderen:
1. Geertruij Sijen, geb. in juli 1689
2. Catharina Sijen
3. Adriaan Sijen
4. Elisabeth Sijen
5. Margaretha Sijen
6? Pieter Sijen ?

IIb. Arnold Sijen, geb. Amsterdam 18 sept. 1640, student Leiden, med. dr. 1659, hoogleraar Leiden 1670, overl. Leiden 21 okt. 1678, tr. 12 juni 1663 Clara Cincq, geb. Gouda in oktober 1642, overl. 27 dec. 1693, dr. van Harmen Pietersz. Cincq en Niesje Gerritsdr. Bonse.

    Arnold Sijen was vlg. Philips van Leefdael (zie Aantekeningen van eenen geslachtkundige…Gent, 1873, p 7) een ‘liefhebber van waepenen’
    NB. Zie voor Arnold Sijen en zijn nakomelingen: Dr. J. J. de Jong, Met goed fatsoen; de elite in een Hollandse stad, van Gouda 1700-1780. Zpl. 1985., pag. 375.
    Zie voor hem tevens: A.J. van der Aa, Biografisch woordenboek ..., dl 17, p 1140
Kinderen:
1. Mr. Harmen Sijen, geb. 19 juli 1669, Raad van Gouda,  tr. 8 okt. 1689 Maria van Alsem....
Harmen Sijen is kaptein der schutterij te Gouda in 1694 (NL1918,320)
2. Jan Sijen, geb. 23 aug. 1667, overl. ongehuwd 10 maart 1689
3. Maria Sijen, geb. 19 juli 1669, overl. 13 maart 1716, tr. 24 juli 1691 Top(?) Brouwer, overl. 1696.
4. Elisabeth
5. Pieter
6. Arnoldus

[Vriendelijke mededelingen van de heer Frans van Rooijen.]

De hierna afgebeelde handschriften vertonen sterke overeenkomsten met dat van Sijen in de Hoge Raad van Adel in Den Haag en zijn dus waarschijnlijk afkomstig van Joris Pietersz. Sijen.

 

Manuscript Sijen

Merode x Bauw

Kwartieren van
Willem van Merode, heer van Vuelen
en zijn echtgenote
 Catharina Bauw, dochter van Jacob Bauw, heer van Muggenbergh.
 
2.     Willem van Merode, heer van Veulen, erfburggraaf van Loon 1502, voogd van Duffel 1516-1523, amman van Brussel 1486, overl. 24.8.1525, begr. Veulen, tr. na 12.7.1486
3.    Catharina Bauw, overl. na 16.6.1500, erfdochter van Goetsenhoven.
 

4.    Willem van Merode, kanunnik van St. Lambert te Lüttich, van St. Marie te Aken, heer van Veulen, erf-burggraaf van Loon, overl. 25.11.1483, begr. Veulen, tr. 1454/55
5.    Johanna van Randerath van der Aa,  geboren Veulen (onder Borgloon, Belgisch Limburg - vriendelijke mededeling van de heer Mr. dr J.N.G. Vogel) rond 1433, overl. 4.7.1493/18.12.1494, begr. Veulen
6.    Jacob Bauw, ridder, heer van Muffenbergh, tr.
7.    Aleid van Harduemond
 

8.    Ricoud van Merode, heer van Merode, Frenz en Westerloo, overl. 9.7.1446, begr. d'Horn bij Merode, (zn. Van Ricoud van Merode, heer van Merode en Frenz, overl. voor 1399, en van Margaretha van Wesemaele), tr. 1) Margaretha van Houfalize, tr. 2)
9.    Beatrix, erfdr. van Petershem, overl. 11.4.1454, begr. d'Horn bij Merode
10.    Jan Van der Aa, geboren te Fologne (Namen, B) voor 1407, tr.
11.    Oda Van Monfort, geboren te Fologne (Namen, B) voor 1411.

12.    Wouter Bou van Eenckhoven, (zn. van Wouter Bou, heer van Vremde bij Ranst, raad en kamerheer van de hertog van Brabant, en van Elisabeth van Merum, overl. ca. 1460 en weduwe van Hendrik van Ranst, zn. Van Costijn van Ranst en Johanna NN), tr.
13.    Elisabeth van Ranst, dr. van Hendrik van Ranst

Echter:
Vriendelijke mededeling van mevrouw Beatrijs van der Aa, die terecht opmerkt dat overeenkomstig de kwartierwapens hier een echtpaar Bou x Oyenbrugge zou moeten figureren, waarbij zij dit echtpaar heeft gevonden in de personen van:
12.    Jan Bou, tr.
13.    Catharina van Oyenbrugghe

14.    NN van Harduemond
15.    NN van Kersbeecke
 

20.    Gerard Van der Aa, (Manuscript De Jonge: Communiemeester te Mechelen in 1420), tr.
21.     Jeanne de Veulen, (Manuscript de Jonge: Dame du dit Lieu 1435)
22.    Guillaume Van Monfort, tr.
23.    Marguerite De Langerac.

Opmerking van de heer Bert M. Kamp: Margaretha van Langerak is zeker onjuist. Hier hoort Katharina van Baer (van Lathum), gehuwd met een andere Willem van Montfoort, oomzegger van Willem x Langerak. Zijn dochter Oda wordt dan een kleindochter van Oda van Polanen (van der Leck) , naar wie zij natuurlijk werd vernoemd. Zie ook ES XVIII tabel 54.
 

24.    Hendrik V van Oyenbrugghe, overleden op 6 december 1432. De enige zoon uit het huwelijk van Henrick IV wordt na de dood van zijn vader in 1392 de nieuwe heer van Coolhem. Hij werd ridder geslagen en mocht zich leenman van de hertog van Bourgondië noemen. Zijn titulatuur werd verder uitgebreid met 'heer van Brusse-Itegem (deelgemeente van Heist-Op-den-Berg), Orsmaal (deelgemeente van Linter), Budingen (deelgemeente van Zoutleeuw), Meldert (deelgemeente van Hoegaarden), enz.'. Deze laatste titels kwamen voort uit zijn huwelijk met Johanne van Meldert, zijn eerste vrouw, erfdochter van Jan, heer van Meldert. Gezien haar oudste broer Willem in 1402 stierf en haar tweede broer rond 1405, erfde zij de bezittingen van haar vader. Johanne wordt reeds in 1402 met haar man vermeld. Ze stierf in 1422 en werd te Mechelen begraven in de kerk van de Geschoeide Karmelieten. Enige maanden voor haar dood in 1422 maakte Henrick V met haar een testament op waarin hun goederen vermeld staan die na hun dood dienen verdeeld te worden. Hun dochter, Kateline, krijgt in vergelijking met haar oudere broer Henrick VI weinig, maar dit was wel de gewoonte in die tijd. Henrick VI erft alle huizen en gronden. Zo o.m. een erf binnen in de stad en de vrijheid Mechelen (ongetwijfeld het ouderlijk huis), namelijk te Heffen, gronden in en rond Brussel, volle plaetsen te Puurs en omgeving, in het Land van Waas, te Hingene, Ruisbroek, Willebroek, Itegem, Orsmaal, een beemd 'den Esch' te Battel achter hun hof. Verder waren er nog hoeven te Battel en een herberg te Mechelen bij de "Zacbrugghe'met al de huizen daar in de buurt. Binnen de parochie Puurs had deze Henrick ook nog heel wat goederen die hij ge‰rfd had van wijlen Olivier van Coelhem, zijn oom. Opmerkelijk is verder is verder het feit dat Margareta, getrouwd met Karel van Imeerseel en tante van Johanne van Meldert, in 1396 een beneficie stichtte in de Sint-Gummaruskerk te Lier, namelijk 'Capellania Cantauriae B. Mariae Virginis de Coelhem' genoemd. (Hij is eerder getrouwd na 1422 voor de kerk met Beatrix Van der Aa, overleden in het jaar 1465, dochter van Gozewijn Van der Aa en Elisabeth van Hofstade. (Zij was weduwe van Willem van Duras.) Hij was gehuwd (2) met
25.    Joanna Van Meldert, overleden op 8 september 1422, begraven te Mechelen.
 
 

40.    Gozewijn Van der Aa, overleden voor 1415, (Steurs: Hunne eigendommen strekten zich uit over Muizen en Hever).
Tr. Elisabeth van Hofstade, overleden na 1433, (Manuscript De Jonge: Veuve en 1415), maar zij was niet de moeder van Gerard van der AA.
48.    Hendrik IV van Oyenbrugghe, overleden in het jaar 1392. Henrick IV, de oudste zoon volgt zijn vaqder op (na 1352). Via een huwelijk met Margareta van der Elst mag hij zich naast heer van Coolhem ookheer van Heghem en Orsmaal (nu deelgemeente van Linter in Vlaams-Brabant) noemen. Van deze heer kennen we niet veel meer dan enkele militaire prestaties. Zo is er ondermeer een document van 1380 waarin hij erkent een deel schadeloosstelling gekregen te hbeen voor verlies en schade ondergaan in de slag bij Baesweiler in 1371, meer bepaald omwille van zijn gevangenneming in de Vlaams-Brabantse oorlog. Hij streed er onder het vaandel van de amman van Brussel tegen de hertog van Gelre. Ook de zoon van zijn broer Olivier, Ian van Colem, en de hertog van Brabant zelf werden toen gevangen gezet. Henrick IV had naast zijn wettige kinderen nog drie bastaards, namelijk Jan, Clemens en Josse. Olivier, Henrick's broer of diens zoon, bezat in 1386 een hof in de buurt van of te Oplinter. Hij was gehuwd met
49.     Marguerite Van Der Elst. (Zij was later gehuwd met Godefroid Van Der Dilft.)
 

80.    Guillaume Van der Aa, tr.
81.    Marguerite Van Sevenberghe.
96.    Baudouin van Oyenbrugghe, overleden rond 1352. Boudewijn mocht zich wegens verdiensten in de krijgsdienst ridder noemen.(Hij was weduwnaar van Margareta van Swyveghem.) Hij was gehuwd (2) met
97.    Beatrix Van Rotselaer.
98.    Gerard Van Der Elst, tr.
99.    Elisabeth Van Den Wijngaerde.

192.    Henrick III van Oyenbrugghe, overleden na 1317.Henrick III volgt zijn vader op rond 1261. Hij huwt met Catharina van Boechout, dochter van Daniël, heer van Boechout. Uit dit huwelijk komen drie kinderen voort, namelijk Boudewijn, Willem en Prudence. In zijn laatste wilsbeschikking bepaalt Henrick dat Boudewijn, zijn oudste zoon en zijn opvolger, de heerlijkheid Coolhem zal erven; Willem erft de heerlijkheid Oyenbrugge. We stellen met andere woorden vast dat Coolhem belangrijker geworden was dan Oyenbrugge daar het naar de oudste zoon ging. Boudewijn en zijn nageslacht zullen zich vanaf dan ook gaan noemen naar hun heerlijkheid en aan hun naam "geheten van Coelhem" toevoegen of zich gewoon "van Coelhem" noemen. Henrick verwierf een cijnshof te Kampenhout (gehucht Wilder) dat naar hem genoemd werd, nl. het "Cijnshof van Coolhem". In 1317 wordt dit hof voor het eerst vermeld. Later werd het aangeduid als geheeten van ouder tijde t Laethof van Coelhem. (Seegers, G. 1999). Hendrik III tr.
193.    Catharina Van Bouchout.

384.    Henri II van Oyenbrugghe, gedoopt rond 1200, overleden in het jaar 1261, ongeveer 61 jaar oud.
Henrick II wordt automatisch via erfenis heer van Oyenbrugge en heer van Coolhem. Hij moet echter meerdere keren getrouwd geweest zijn. In 1224 start een jaarlijkse schenking van hem aan het klooster van Grimbergen voor het zieleheil van zijn vrouw Clementina, hemzelf en hun beider ouders. Bij zijn dood omstreeks 1261 was hij getrouwd met Odilia, waarbij hij waarschijnlijk slechts één kind had, Henrick III. (Seegers, G. 1999) Hendrik II tr.
385.    Clementina.
386.    Daniel Van Bouchout, tr.
387.    Catharina De Wanghe.

768.    Arnould van Oyenbrugghe, gedoopt voor 1157, overleden na 1218, minstens 61 jaar oud. Na het overlijden van zijn broer en vader zien we dat ARnt van Oyenbrugge, broer van Henrick I zich een dubbele titulatuur aanmeet, nl. Heer van Oyenbrugge en heer van Coolhem. Uit de volgorde van de titels kunnen we afleiden dat alleszins eerst Oyenbrugge in het bezit kwam van deze familie en daarna pas Coolhem. Arnt, die de Grimbergse oorlog overleefd had, trouwde met Ode van Diest en uit dit huwelijk kwamen nog twee zonen voort: Henrick II en Arnt (Arnoud) (Seegers, G., 1999). Arnould tr.
769.    Ode Van Diest ook genaamd Alix.

1536.    Arnould Van Audenaerde, tr.
1537.    Mechtilde Van Lier.

3072.    Gerard Van Audenaerde.

Door Jos Smits werd gewezen (waarvoor dank) op: "La terre et Seigneurie de Ranst en Brabant" door René van Berchem (Genève 1971) Annexes III Tableau 2, waarin wordt verwezen naar een werk van L. Stroobant: "La famille Bau de Malines aux XIV° et XV° siècles" (Merksplas 1908).  En voorts een artikel van François Haverals in het Jaarboek 1996 van de werkgroep "Geschiedenis van Boechout-Vremde": "De Heren van Vremde" welke nuttige gegevens zou kunnen bevatten.

Voorts zij dank verschuldigd aan mevrouw Beatrijs van der Aa, met betrekking tot de kwartieren Van der Aa en Van Oyenbrugge.

 

Manuscript Sijen

Van der Horst

1. Dirk van de Horst, werd in 1519 schepen in de Hoge Gerechtsbank van Tuijl; in 1528

komt hij voor onder de huwelijksvrienden van Johan de Cocq van Neerijnen en in 1531 als magescheidsvriend bij de familie de Cocq van Neerijnen; in 1531 en 1537 compareerde hij in de Ridderschap van het Sticht; in 1555 stond hij, woonachtig te Varik, op het Riddercedul van het Kwartier van Nijmegen; werd in 1540, 1544 en 1556 beleend met het huis Varik, waarna hij het in 1557 transporteerde op zijn bastaardzoon Gijsbert, onder voorbehoud van de lijftocht van zijn vrouw Catharina van Varik; werd in 1536 beleend met Nederhorst en Overmeer en na zijn dood werd in 1559 zijn bastaardzoon Gijsbert met Nederhorst beleend; Dirk van der Horst overleed, volgens NL 1957 k. 331 op 3, 4, 5, 6, 7 of 8 april 1559, zijn grafsteen werd als dorpel van de west-ingang van de toren van de kerk te Dodewaard gebruikt. Waarom is Dirk (met zijn echtgenote?) in Dodewaard begraven? De zerk zou een goede plaats hebben gekregen onder in de toren.

 

Herberen de Cock van Neerijnen, weduwnaar van Maralla van Culemborg, tr. 1535 met Katrijn van Sterkenburg.

2.  Alfer van der Horst, in 1485 na dode van zijn vader beleend met ter Horst en 9

morgen in Acquoy (belening op Werner van Zuylen, waarschijnlijk i.v.m. minderjarigheid Alfer), tr.

3.  Joost/Judoca van Zuijlen van Harmelen

 

 

4.  van der Horst, tr.

5.  van Beest

6.  Dirk van Zuijlen van de Haer, tr.

7.  Elisabteh van Zuijlen van Nijevelt

 

Dirk van Zuijlen, vader van:

·        Dirk van Zuijlen van de Zevender x 1434 Joost/Josine van de Haer, dr. van Gijsbert van de Haer x Jutte

o       Dirk van Zuijlen van de Haer x Elisabeth van Zuijlen van Nijevelt

§         Joost/Josine van Zuijlen x Alfer van der Horst

o       Werner van Zuijlen (c. 1484 – 1503)

§         (bast.dr) Joost/Josine van de Haer x 1) N. van Raephorst, x 2) Dirk van der Does

o       Gijsbert van Zuijlen van de Haer

Een zerkfragment van 1559 te Dodewaard

door MR. J. BELONJE.

Men is thans druk bezig met herstel van de zware, oude toren der Ned. Herv. Kerk te Dodewaard en toen ik deze zomer ter hoogte van dat dorp over de Waalbandijk het vlakbij gelegene gebouw passeerde, kon ik niet nalaten op het werk eens even een kijkje te gaan nemen. Dat leidde tot een verrassing. Want recht onder de stelling, waarop de met-selaars aan de arbeid waren, was de west-ingang van de toren en juist vóór die ingang was een oude dorpel voor een gedeelte zichtbaar geworden, die uit een oude grafsteen bleek te bestaan.

Terwijl de klodders mortel mij van tijd tot tijd om de oren vlogen heb ik dadelijk een onderzoek ingesteld naar dat, wat er precies lag, en met schop en bezem gewapend trachtte ik het stuk zerk van een mooi licht-blauwe Namense steen zo goe,d en zo kwaad als mij dit mogelijk werd gemaakt, van grond- en kalkspecie te zuiveren. Het resultaat was, dat er een oppervlak te voorschijn kwam van circa 1 m. bij 60 cm., waarop een prachtige sierhelm was voorgesteld tussen slanke, uitgeplooide dekkleden boven een door banden omstrengeld gedeeld wapenschild. De wapens, die dat schild vertoonde, waren naast elkaar: a. drie gekroonde leeuwekoppen, 2 en 1 en b. een dubbelkoppige adelaar. Langs de linkerrand van de zerk was de rest van een inscriptie bewaard gebleven, die in laat-Gothische minuskels luidde als volgt:

[.....da] ghs-nae- beloke  paesdach-sterf -dyr . 

Van het helmteken was helaas maar een pover beetje te bekennen: slechts een kleine aanzet vooraan op de bovenkant van de helm zou het vermoeden kunnen doen opkomen, dat de helm oorspronkelijk met een gewone vlucht bekroond was geweest. En - in verband met de toegepaste vlakverdeling kwam bij mij tenslotte de gedachte op, de parallellen mij herinnerende, die ik van elders kende, dat ook op deze steen, toen hij nog ongeschonden was, niet één (gedeeld) wapen-schild, maar twee (gedeelde) wapenschilden onder de helm aangebracht zijn geweest. Zoals wel vanzelf spreekt heeft hij in onverminkte staat tevens een randschrift gevoerd, hetwelk op de vier zijden omgelopen zal hebben.

Rest na deze beschrijving een poging tot verklaring van deze vondst:

Wanneer wij het stuk stijlcritisch bekijken, ligt de conclusie voor de hand, dat we in casu te doen hebben met een zerk uit de periode van overgang tussen Gothiek en Renaissance en dat zij dus omstreeks 1 5 5 0 moet zijn ‘ontstaan. De be-schreven wapens zijn die van de adellijke Betuwse geslachten Van Varick (de leeuwekoppen) en Van de Poll (de adelaar). Aan deze verklaring kan moeilijk twijfel bestaan, immers de alliantie Van Varick-{qan de Poll is een realiteit geweest. Dat is bijvoorbeeld te zien uit een zerk, welke ingemetseld is in het interieur van de hoge kerktoren van het dorp Varik, waarop de namen aangeduid zijn van een drietal gezusters van Varick, jv. Lutgart, suppriorin van Zennewijnen, jv. Margriet, priorin aldaar en jv. Claer. Een stiftsdame is daarop in biddende houding voorgesteld en op de hoeken staan haar vier kwartier-schildjes:

V a n V a r i c k .

V a n S t r i j e n .

V a n d e P o l l .

D e Cocq van B r u c h e m (?)

Daargelaten de vraag of deze kwartieren in orde zijn –de twee onderste behoren in elk geval omgewisseld te worden - staat het hier wel vast. dat deze drie dames kinderen waren van Goossen van Varick tot Wijenrade en zijn vrouw.Johanna van de Poll, dochter van Johan en Maria van Strijen en Zevenbergen. De MS.-genealogieën-Van Varick in de col-lecties Van Spaen la Lecq en Snouckaert van Schauburg bij de Hoge Raad van Adel te ‘s-Gravenhage en in navolging bij A. Fahne in zijn ,,Bocholtz”, zijn het erover eens, dat het echtpaar Van Varick-van de Poll zeven kinderen heeft gehad, waarbij de bovengenoemde jv. Claer dan telkens niet gerekend wordt. 0 d n er de kinderen waren twee zoons, Willem, kanunnik te Utrecht, overleden 11 december 1521 en Goossen, de leenvolger, die op 17 mei 1557 te Grave stierf en aldaar xverd begraven. Uit de aard der zaak kunnen het deze zoons niet geweest zijn, voor wie de hier beschreven zerk geplaatst is geweest, maar wel moet dit gebeurd zijn voor een van de dochters, al dan niet vergezeld van een echtge-noot. Niet in aanmerking komen natuurlijk de drie dochters, die te Zennewijnen in het praemonstratenserinnenklooster waren opgenomen, want voor haar maakte men het gedenk-teken, dat nu in de toren van Varik staat. Maar er waren nog drie andere dochters, die elk voor zich een huwelijk hebben aangegaan. Dat waren Maria, de echtgenote van jr. Johan van Wees, Cornelia, getrouwd met Reinier van Coeverden tot Rhaen en Cafharina van Varick, de vrouw van jr. Dirk van der Horst tot Nederhorst.

De keuze lijkt niet moeilijk, immers het randschrift op het zerkfragment laat los, dat de voornaam van de overledene met de drie letters dyr begonnen is. Wij zullen dat wel moe-ten verstaan als ,,Dyrck”. En dan zou het jr. Dirk van der Horst tot Nederh,orsf geweest kunnen zijn, ter ere van wie het monument destijds werd opgericht.

Dirk van der Horsf,4) zoon van Alfert en J’doca van Zuijlen van Harmelen, werd in 1519 schepen in de hoge gerechts-bank van Tuil. In 1528 kwam hij voor onder de huwelijks-vrienden van Joh. de Cocq van Neerijnen en drie jaar later trad hij op als magescheidsvriend bij de familie de Cocq van Neerijnen. In 153 1 en 1537 compareerde hij in de Ridderschap van het Sticht en ook in 1533 fungeerde hij weer als schepen in de bank van Tuil. Bij Herberen de Cocq van Neerijnen was hij in 1535 huwelijksvriend. In 1555 stond hij, woon-achtig te Varik op de Riddercedul van het Kwartier van  Nijmegen. Met het huis Varik c.a. verkreeg hij belening op 6 april 1540, 13 juli 1544 en 26 juni 1556, waarna hij het  goed op 18 augustus 1557 deed transporteren op zijn bastaardzoon Gijsbert, onder voorbehoud van de lijftocht van zijn vrouw Catharina van Varick. Met de Ridderhofstad Nederhorst en Overmeer werd jr. Dirk van der Horst beleend op 1 april 1536, en na zijn dood, die zonder vermelding van datum in datzelfde jaar gesteld wordt, en wel op de 20e augustus 1559.Vóór 20 augustus van het jaar 1 5 5 9 moet jr. Dirk van der Horst dus overleden zijn en dit kan corresponderen methet ons bekende restant van de inscriptie op de zerk. Want het groepje bewaard gebleven woorden verwijst naar een der dagen van de week na Beloken Pasen. Het Paasfeest viel –anno 1559 op de 26e maart en Beloken Pasen, Quasimodo geniti infantes” derhalve op de zondag daarna, of in dit geval op 2 april. Ware hij op de weer daarop volgende zondag overleden, dan zou het grafschrift naar alle waarschijnlijkheid de zondag Misericordia Domini als tijdsbepaling hebben aangehaald en daarom blijft de keuze van de sterfdag in zoverre beperkt, dat hij slechts op 3, 4, 5, 6, 7 of 8 april 1559 het tijdelijke met het eeuwige kan hebben verwisseld.

De hier ter sprake komende familie van der Horst kwam voort uit de oude stam der Van Wulvens en J. Th. de Raadt,jr. Dirks zegel op het jaar 1531 beschrijvende, sprak van quatre b u r e l l e s  o n d é e s ,……e t. cimier un vol, chargé de quatre burelles ondées”.‘ Het hier vermelde helmteken kan nu inderdaad overeenkomen met het bewijsje van een helmteken, dat het zerkfragment ons laat aanschouwen. En, is mijn veronderstelling, dat de onderwerpelijke steen gemaakt is voor jr. Dirk van der Horst (en zijn vrouw) juist, dan moet hij vóór de verminking gesierd zijn geweest met de wapenkwartieren: H o r s t - Zuijlen - V a r i c k - P o l l ,

Maar dan valt tevens-nog uit te vorsen waarom jr. Dirk, die zijn bezittingen in hoofdzaak had te Varik en te Neder-horst-den-Berg, ertoe bewogen kan hebben een laatste rust-plaats te Dodewaard te verkiezen.

Jammer, dat het gevonden stuk slechts een fragment is. Toch is de kans volstrekt niet uitgesloten, voor het geval menter plaatse eens met nauwgezette attentie zoekt, dat er meer brokstukken te voorschijn zullen komen. Wat hiervan echter zijn moge: de restauratie-werkzaamheden aan de oude toren van Dodewaard kunnen onmogelijk naar behoren volbracht zijn wanneer aan deze interessante zerk van 1559 niet een goed en uit de loop liggend plaatsje in het herstelde gebouw zou worden ingeruimd!